Verdwalen op weg naar het paradijs

De laatste tijd lijk ik steeds weer te verdwalen. Ik verdwaal in een wirwar van gedachtenstromen. Gedachtenstromen die niet willen stoppen, ook al doe ik zo mijn best om ze in rustiger vaarwater te krijgen. De gedachtenstromen gaan door mijn hoofd, terwijl de elektrische schokken door mijn lijf gaan. Dit maakt het vrijwel onmogelijk om te slapen. Ik vraag me af hoe andere mensen dit doen:  ‘gewoon’ gaan slapen. Ik vraag me af hoe ik dat zelf eigenlijk doe, die nachten dat het wel ineens lukt te vertrekken naar het paradijs. Het paradijs van de gedachtenleegte.

Ook overdag blijft die stroom maar stromen, vooral als ik even niets doe. De stromen kabbelen rustig voort als ik wél bezig ben. Ik hoef er niet per se hele einden voor te rennen. Suf achter de TV hangen, op mijn telefoon klooien, schrijven of een maaltijd bereiden volgens een recept, is ook genoeg. Ik vraag me af hoe ik die woeste wildwaterstromen wat rustiger kan krijgen. Ik vraag me af of de woeste wateren komen, doordat ik weer intensief met mijzelf aan de slag ben.

Het is niet zozeer dat ik meer uren therapie volg. Wel heb ik het schrijven aan mijn boek weer opgepakt. Het uitwerken van interviews van naasten en professionals is soms heftig, soms prachtig en alles daar tussenin. Ik lees ook veel, met name over schematherapie, dat geeft mij nog regelmatig nieuwe inzichten. In tegenstelling tot vroeger, neem ik nu de tijd om de verworven inzichten op mij te laten inwerken. Ik sta bewust stil en geef ruimte aan mijn gedachten en probeer de gevoelens die bij die gedachten horen te voelen en te plaatsten.

Ik merk het nu op als een gebeurtenis in het heden, overweldigende emoties triggert. De heftigheid van de emotie is een reactie op gebeurtenissen uit het verleden. Het triggert ‘oude pijn’. Ik probeer die emotie ruimte te geven en niet weg te drukken, zoals ik vroeger deed. Ik probeer bewust te voelen wat ik voel. Als ik zelf vind dat ik overdreven reageer, op een situatie in het nu, parkeer ik de ratio en voel ik wat ik voel. Ik heb de hoop dat ik mij hierdoor stabieler en uiteindelijk beter ga voelen. Ik heb de hoop dat ik ooit niet meer overvallen word door ‘oude pijn’, maar dat ik alleen de emotie voel die hoort bij het moment. Ik heb niet de illusie dat ik nooit meer pijn zal voelen.

Ergens streef ik wel naar een ‘neutrale’ toestand. Het lijkt me heerlijk om niet steeds die gedachtenstromen door mijn hoofd te voelen gaan. Het lijkt me heerlijk om niet steeds in gesprek te zijn met mijzelf. Het lijkt me heerlijk om niet die ellelange discussies met mezelf te hoeven voeren.

Ik besef ook dat ‘neutraal’ niet bestaat. ‘Neutraal’, is niets voelen en staat gelijk aan een depressie. Als de depressie maar diep genoeg is, valt al het gevoel weg. Wat overblijft is een eindeloze leegte. De eindeloze diepte van eenzaamheid. De continue wanhoop. Wat ontbreekt zijn dan de heftige emotionele stromingen. Het is diep, maar stabiel vaarwater. Het mist wel de lichtheid van het spelen in de golven in de zon.

Ik heb het gevoel dat ik tegenwoordig veel ‘goed’ doe en juist in deze tijden komt de reactie dan ’s nachts. Als ik overdag rustmomenten inlas om stil te staan, heb ik de hoop ’s nachts te slapen. Zeker als het me al een paar nachten gelukt is te vertrekken naar het paradijs. Toch overvallen die gedachtenstromen me dan in de nacht opeens. Ik word daar boos van. Ik vind dat ik overdag al genoeg stil heb gestaan bij alle ingewikkeldheden van de dag. Ik krijg het gevoel dat ik toch iets ‘fout’ doe, omdat ‘het’ niet werkt. Rationeel weet ik dat ik veel ‘goed’ doe. Mijn emotionele “ik” loopt gewoon een stukje achter op mijn rationele “ik” en gaat nog even door met verwerken van de indrukken van de dag.

Ik blijf dromen van het paradijs. Misschien neem ik er vanavond een kijkje. Misschien ook niet.

Dromen mag, toch?

Risico

De kracht van #meedoeniswinnen en “inclusie” ervaarde ik vorige maand. Ik schreef een subsidieaanvraag voor een project waarbij de ervaringsdeskundige de verbindende factor is in het hersteltraject. Ik zag deze subsidieoproep voorbij komen op Twitter en dacht: “wellicht kunnen we daar binnen de kliniek wat mee”. Ik seinde de psychiater in over deze subsidie. Zij mailde mij terug: “goed plan, wil jij een voorstel schrijven”?

Ineens voelde ik druk. De verantwoordelijkheid om deze subsidie binnen te halen, drukte zwaar op mij. Ik zou iets moeten presteren. Ik dacht na over wat we met deze subsidie zouden kunnen binnen de kliniek. Het was een zooitje in mijn hoofd. Bovendien voelde ik me al een tijdje depressief. Gestructureerd nadenken en concentreren zijn dan moeilijk, zo niet onmogelijk. Ik wist wel waar ik heen wilde, maar de woorden wilde zich niet ordenen in mijn hoofd.

Ik dacht: “laat maar zitten, dit kan ik niet”. Eigenlijk was ik bang, bang om te falen. Bang dat men mijn ideeën stom of niet realistisch zouden vinden. Bang om een risico te nemen. Ik besprak de warboel in mijn hoofd met een psychologe. Met haar heb ik de herstelgroep chronisch depressie opgezet, die ik wekelijks (vrijwillig) mag begeleiden. Het lukte me niet om helder te formuleren. Ze moest vast de paniek op mijn gezicht hebben gezien. Ze bleef rustig, stelde mij goede vragen en droeg ideeën aan. Diezelfde ochtend had ik de deelnemers van de herstelgroep al naar hun ideeën gevraagd.

Ik fietste naar huis en ineens begonnen de ideeën zich te vormen tot woorden. Mijn oog viel op het rode armbandje om mijn rechterpols. Ik las #meedoeniswinnen. Natuurlijk! Mijn armbandje heeft gelijk: ik kan gewoon meedoen! Krijgen we de subsidie niet, dan vergaat de wereld niet. Krijgen we de subsidie wel, dan ga ik me dán pas zorgen maken of ik de projectleidersrol wel kan en wil dragen. Thuisgekomen vroeg ik de psychiater of zij hoofdaanvrager wilde zijn. Ze zag wat ik wilde bereiken met de subsidie en stemde toe.

Ik haalde diep adem en begon met het schrijven van het projectplan voor de subsidieaanvraag. Ik mocht helemaal zelf bedenken wat ik erin ging zetten. Ik wist dat ik kritiek zou moeten verdragen op mijn conceptaanvraag. Ik nam een risico. Eerder schreef ik een blog over hoe lastig ik het vind om met kritiek om te gaan. Nu kreeg ik de kans om te oefenen. Ik stuurde mijn voorstel naar de hoofdaanvrager. Zij las de eerste versie en gaf mij kritiek terug.

Tot mijn verassing kon ik haar kritiek verdragen. Zij had heel goed begrepen wat de essentie van mijn plan was. Haar kritiek kraakte mij niet af, maar maakte mijn subsidieaanvraag juist beter. Haar punten leidde tot het scherper neerzetten van de probleemstelling en het einddoel. Haar punten beperkte zich tot de hoofdlijnen en ze had geen kritiek op details of schrijfstijl. Kortom, ze liet mij helemaal in mijn waarde. De bestuurlijk verantwoordelijke, die moest mee tekenen, gaf mij complimenten over de helderheid van de aanvraag. Ik was gewend om aan kritiek altijd het gevoel over te houden dat ik gefaald heb, dat ik het niet goed gedaan heb. Deze keer ervaarde ik de kritiek als steunend en helpend. Een wonderlijke ervaring.

Ik voelde me gezien. Ik voelde mij een gelijkwaardige gesprekspartner. Er werd niet alleen geluisterd naar mijn ideeën, ik kreeg zelfs alle kans om ze uit te voeren. Bovendien kreeg ik de steun die ik nodig had. Ik kon de aanvraag namelijk niet alleen indienen. Ik had de formele steun van de hoofdaanvrager en de bestuurlijk verantwoordelijke nodig. De bestuurlijk verantwoordelijke, die ik helemaal niet ken, stond zomaar achter mijn aanvraag.

Ik nam een risico.
Ik werd behandeld als een gelijke.
Ik werd voor vol aangezien.
Ik mocht meedoen.

Nu maar duimen dat we het project mogen gaan uitvoeren!

Dit blog schreef ik als gastblog voor de Socialrun.

Een uitnodiging

“Zou je een blog voor de Socialrun willen schrijven?”, vroeg Frank mij. Ik voelde me vereerd en antwoordde: “Natuurlijk, wat is het onderwerp en wanneer wil je het hebben?” “Dat mag je helemaal zelf weten, zolang het maar de waarden van de Socialrun laat zien”, was zijn reactie.

Lastig. Ik heb liever een zwart/wit antwoord. Duidelijkheid, grenzen, communicatie over verwachtingen, waar ik dan aan moet voldoen. Of beter gezegd, verwachtingen die ik dan kan overtreffen, zodat ik andere mensen blij kan maken. Zijn antwoord was een grote grijze wolk van mogelijkheden. Ik probeer het deze keer anders te zien. Ik probeer nu kleuren te zien. Ik mag schrijven over wat mij bezig houdt. Over wat ik belangrijk vind.

Mijn geest slaat op hol, bij voorkeur ‘s avonds in bed, als ik eigenlijk wil slapen. De keuzemogelijkheden stapelen zich op. Ik wil zoveel vertellen. De Socialrun is zoveel meer dan een estafetteloop van 555 km in 48 uur door Nederland. De Socialrun staat voor #meedoeniswinnen. Staat voor inclusie en destigmatisering van mensen met een psychische kwetsbaarheid.

Om mijn arm draag ik een blauw en een rood Socialrun armbandje. Nu heb ik nog vaak een trui aan en zijn de armbandjes niet altijd zichtbaar. Soms vraagt iemand mij: “wat is dat eigenlijk, die Socialrun”. Enthousiast begin ik dan te vertellen over de estafette waar ik in september met een eigen team aan mee mag doen. Tegen de tijd dat ik aan kom bij ‘waar het eigenlijk om draait’, merk ik dat ik zenuwachtig word. Dat ik zelfs wat schaamte voel. Dat ik bang ben, voor de vragen en reactie van anderen. Bang voor negatieve reacties vooral.  

Straks wordt het lekker weer. T-shirt weer, dan zijn de armbandjes beter zichtbaar. Ik wil graag vertellen over hoe ik het leven met een chronische depressie vind. Ik schaam me ook voor mijn psychische kwetsbaarheid. Ik schaam me als ik vertel dat ik nu al ruim 2 jaar niet meer werk. Ik voel me minderwaardig. Ik ben bang voor het stigma. Ik ben bang dat anderen mij ook minderwaardig vinden. Ik wil wél vertellen, want ik wil de wereld een klein stukje beter maken. Blij ben ik dus, als mijn armbandje een uitnodigende vraag oproept. Het blijft een split-second inschatting wat ik de persoon over mijzelf wil vertellen.

Ik ‘moet’ er meestal wél, tussen neus-en-lippen door, vermelden op enig moment dat ik wél 16 jaar als accountant heb gewerkt, samen mét mijn chronische depressie. Op het moment dat ik dat vertel, voel ik de verbazing van mensen. Ik voel ook meteen dat ik er dan wél mag zijn. Alsof ‘accountant zijn’ mijn bestaansrecht geeft. ‘Accountant zijn’ geeft in ieder geval aan dat ik niet ‘dom’ ben. Stigma komt niet alleen van die ander. Stigma zit ook in mijzelf. Niet dat ik mezelf zielig vind, maar ik ga er per definitie van uit dat die ander mij ook wel waardeloos zal vinden. Ik dicht die ander een rol toe uit automatisme, zonder te checken of die rol wel passend is.

#meedoeniswinnen, is mijn missie van dit jaar. Ik kan deze missie gemakkelijk koppelen aan het hardlopen. Het laatste jaar probeer ik niet zozeer de voldoening te halen uit sneller en verder hardlopen, maar ik probeer de voldoening te halen uit het meedoen. Op 17 maart start ik met het team van #geefonskleur in Vaals om vanaf daar naar Maastricht te rennen. De kans is heel reëel dat ik wel kan starten maar niet kan finishen. Ik vind het enorm eng om te starten, omdat mijn voorbereiding niet perfect is door een enkelblessure. Mijn zelfvertrouwen was bij mijn eerste marathon gebaseerd op de gedachte: “volg het schema en dan komt het goed”.

Ik zal nu moeten vertrouwen op de kracht van de uitnodiging.
De uitnodiging om met het team mee te rennen.
De uitnodiging om door middel van het dragen van het bandje mijn verhaal te mogen vertellen.

Rennen in kleur

Als ik ren kom ik alle kleuren van de regenboog tegen. Ik loop op ‘geel’ als ik door de duinen over de gelige zandpaden ren, het liefst onder de gele zon. Ik loop op ‘groen’ als ik door het groene gras ren of in de verte de groene weilanden zie. Op ‘zwart’ of ‘rood’, loop ik, als ik op het asfalt ren, kijkend naar het blauwe water van de Amstel. Ik loop op ‘bruin’ als ik op de onverharde paden door het bos ren. Af en toe heb ik echt mazzel, dan mag ik op de witte sneeuw rennen met de strak blauwe lucht boven mij. Als ik de wereld in kleur zie, geeft dat mij een heerlijk vrij gevoel.

Op 17 maart ren ik samen met het team van #geefonskleur van de Socialrun de heuvellandmarathon, van Vaals naar Maastricht. Het beloofd een prachtige tocht te worden. Ons team bestaat uit mensen met of zonder een psychische kwetsbaarheid. Psychische problemen zijn nooit zwart-wit. Met #geefonskleur gaat ieder van ons het gesprek aan over psychisch lijden.

Eind vorig jaar kreeg ik de mogelijkheid om met dit team mee te lopen. Ik was rusteloos, had een hardloopmotivatiedip en was zoekende naar een nieuw doel. Dit doel spreekt mij persoonlijk aan. Ik besloot te kijken hoe het is om samen met een team naar een marathon toe te leven. Spannend, met allemaal mensen die ik niet ken. Er werd een app groep opgestart en de uitnodigingen om mensen op Strava te volgen stroomden binnen. Moest ik deze uitnodigen nu accepteren of niet? Het was sociaal wenselijk om dit wel te doen. Ik had er gemengde gevoelens over. Ik maakte mijn twijfel kenbaar in de app groep. Gelukkig was ik niet de enige, ik besloot de uitnodigingen te accepteren.

Eigenlijk was ik wel nieuwsgierig of ik met mijn eigen onzekerheden om kan gaan. Aan de ene kant vind ik het leuk om mijn loopjes te delen en vind ik het leuk om te zien hoe de anderen trainen. Aan de andere kant ga ik ook vergelijken op prestatie. Ik raak ontmoedigd (zwart) als ik zie dat iemand een ‘rustig’ duurloopje gedaan heeft, in een tempo dat voor mij gelijk staat aan een spinttempo. Ik voel me dan een slome slak. De twijfel slaat toe. Ben ik wel goed genoeg om met dit team mee te rennen? Kan ik niet beter voor de ‘kwart’ kiezen in plaats van de ‘hele’? Straks moeten ze bij de finish op mij wachten. Ik voel me onrustig (bruin) en wat gefrustreerd (rood) en jaloers (groen), als ik zie dat iemand “even” een halve marathon als training loopt.

Ik houd me vast aan het Sportrustenschema (zwart/wit), waarbij mijn maximale training 14 km is en mijn hartslag leidend is voor het tempo. Ik wil óók graag meer kilometers rennen. Ik wil óók graag sneller worden. Het is zoeken naar balans. Ervaren wat mijn lichaam aan kan. Niet te veel en te vaak in het ‘rood’ lopen. Ervaren dat dat mijn hoofd zich aan mijn lijf zal moeten aanpassen en niet andersom. Mijn eerste en belangrijkste doel is tenslotte: “heel aan de start van de marathon verschijnen”.

Ik voel me gesteund door mijn eerdere marathonervaring in Leiden (afgelopen mei), die ik uitliep met het Sportrustenschema. Ik voel ook twijfel, het herstel van mijn blessure duurt langer dan de vorige keer. Ik kan nooit meer alle trainingskilometers maken volgens het schema. Het is nog maar 6 weken. Het is vooral een mentale uitdaging. De uitdaging om toch blijven doortrainen. De uitdaging om straks gewoon te starten met in mijn achterhoofd dat de voorbereiding minder goed was dan de vorige keer. Starten met de onzekerheid of ik zou kunnen finishen. Starten met als missie #meedoeniswinnen. Starten met als missie ‘genieten van de prachtige omgeving’.

Op dit soort moeilijke momenten kijk ik naar mijn rechterpols. De pols waar ik mijn Socialrun armbandjes om draag. Op de rode staat #meedoeniswinnen. Op de blauwe staat #geefonskleur. Ik haal dan een paar keer diep adem er probeer de prestatiedruk, die ik mijzelf opleg, van mij af te laten glijden.

Ik ervaar de warmte (geel) van de groep. De bemoedigende woorden, die ik ontving toen ik geblesseerd was, gaven mij steun. De ontvangen kudo’s op mijn trainingen, zorgen voor blijdschap (blauwe lucht). Het is verfrissend (als groen gras) om de opmerkingen van de groepsgenoten te lezen. Zelf vind ik het leuk om kudo’s uit te delen. Te lezen over de blijdschap van een geslaagde training en steunende woorden te kunnen geven bij tegenslag.

Bijzonder vind ik de band die nu al ontstaat. We hebben elkaar nog nooit ontmoet en toch heb ik het idee de groepsleden al wat te kennen. Er is verbinding door het hardlopen. Er is verbinding door het delen van foto’s. Er is verbinding door de missie die we met zijn allen uitdragen.

We zijn een kleurrijke groep mensen.

Ik ga op vakantie en neem mee…

Ik pak mijn spullen in om een weekje op vakantie gaan. In een andere omgeving mijn rondjes rennen. Schrijven aan de eerste versie van mijn boek. Dit zijn de twee doelen voor komende week. Ik besluit mijzelf eens goed te gaan verwennen. Ik neem crackers, lekkere kaasjes en rode wijn mee. In het huisje heb ik een open haard. In mijn hoofd heb ik het ideaalbeeld dat ik in de avond genietend van mijn crackers, kaasjes en rode wijn de avond fluitend door kom.

Ik besluit dat ik vakantie heb op het moment dat ik de auto in stap en niet pas als ik op de plaats van bestemming ben. Op vrijdagochtend geef ik nog ‘mijn’ herstelgroep depressie in de kliniek. Na deze les, neem ik even de tijd om tot rust te komen. Ik wandel een half uurtje in de miezerregen en eet een broodje. Dan stap ik in de auto. De verwachting is dat ik er zo’n 2,5 uur over zal gaan doen. Al na een half uurtje merk ik dat ik onrustig begin te worden en dat ik trek heb in koffie. Mijn hoofd vindt zo’n snelle stop veel te vroeg. Toch besluit ik tegen mijn hoofd in te gaan en mijn gevoel te volgen. Ik stop voor een koffie langs de snelweg. Weer kies er voor de rust ook daadwerkelijk te nemen. Ik ga zitten in het restaurantgedeelte en drink mijn koffie rustig op. Nou ja, ik check wel gelijk even mijn mail…

Vol goede moed ga ik weer op weg. Na een uurtje rijden protesteert mijn lijf alweer. Ik ben moe, mijn schouders doen pijn en mijn enkel vindt autorijden nog niet zo fijn. Ik ben boos op mijzelf. Ik stel me aan. In een vorig leven reed ik in mijn eentje naar Italië, slechts stoppend voor toilet en benzine. Ik realiseer mij dat de weg naar herstel nog lang is. Langer dan ik dacht. Langer dan ik hoopte. Slikken en accepteren. Weer stop ik en wandel een beetje over de parkeerplaats.

Aangekomen bij het huisje, check ik in, pak mijn spullen uit en steek de open haard aan. Ik zal genieten van de kaas en wijn. Dus ik geniet, heel even, een microseconde. Het blijkt slechts een avond als alle andere avonden. Ik app nog even een foto naar wat vrienden, zodat die kunnen zien hoe knus het hier is. Ik doe mijn ontspanningsoefeningen en probeer tot rust te komen. Het lukt slechts gedeeltelijk. Ik slaap nauwelijks die nacht.

De volgende dag mag ik eindelijk doen waarvoor ik gekomen ben. Na mijn enkelblessure van begin deze maand, kan ik weer hardlopen. Mijn fysio drukte mij op het hart: “je mag hardlopen, maar blijf vooral op het asfalt”. Dat was niet helemaal wat ik in de planning had, toen ik vorig jaar dit huisje boekte. Maar goed, ik ga voor de compromis. Wel een fikse heuveltraining, maar ik blijf op asfalt én ik loop nog iets minder kilometers dan mijn schema aangeeft. Ik voel me goed tijdens het hardlopen, blij dat ik weer mag rennen. Ik ben opgelucht dat de conditie na twee weken totale rust nog redelijk is.
Ik voel mezelf zelfs zo goed dat ik een café ga zitten en een cappuccino met een stuk Limburgse vlaai bestel (mét slagroom…). Een vrouw vraagt of zij, haar man en vriendin bij mij aan de ronde tafel mogen zitten. Ik vind het prima. Ik klets even met ze en zeg hen dat ik wel wat naar zweet stink, zo in mijn hardloopkloffie. Net voordat ik het echt koud begin te krijgen, stap ik op en ren ik het laatste stuk met een volle maag terug naar het huisje.

In de middag corrigeer ik mijn eigen werk. De twijfel slaat toe. Is het wel een goed idee om een boek te willen schrijven? Er zijn al vele boeken geschreven over depressie. Wat zal mijn boek toevoegen? Is de schrijfstijl wel goed, is het boek logisch opgebouwd? Wat zal een objectieve onafhankelijke lezer hiervan vinden? Zal ik ooit een uitgever vinden of zal ik gaan voor self-publishing? Of vergeet ik dit project en blijft mijn boek op mijn computer staan? Gelukkig heb ik mijzelf, in een dapper moment, met kerst een cadeau gegeven. Ik heb mezelf een manuscriptredactie gegund. Dat sterkt mij. Volgende week lever ik mijn manuscript aan voor een eerste review.

Ik slaap die nacht weer nauwelijks. Ik pieker. Ik heb, eerder deze week, een brief geschreven (maar nog niet verstuurd) naar een vriendin. Een moeilijke brief, waarin ik aangeef dat ik mijn vertrouwen in haar kwijt ben. Dat ik echt geprobeerd heb uit te leggen wat depressie voor mij is. Ik heb zo mijn best gedaan. Ik voel mij gekwetst. Ik heb het gevoel dat zij mijn depressieve gedrag niet kan accepteren als onderdeel van mij. Ik mag best depressief zijn, zolang het niet mijn hulp aan haar schaadt. Dat is bittere afdronk die ik proef. Ik neem het besluit de brief te versturen en daarmee de vriendschap op te zeggen. Vriendschap die niet wederkerig bleek te zijn. Pijnlijk, maar een goed besluit. Ik hoop dat dit definitieve besluit mij slaap oplevert.

Ik wist, dat als ik op vakantie zou gaan, ik mezelf mee zou nemen. Mijn depressie zou niet thuisblijven. Ik dacht dat ik dat aankon. Ik dacht dat ik kon dealen met de eindeloosheid van de dag, na de eindeloosheid van de nacht. De onrust. Het niet kunnen slapen. Ik wist het. Toch ben ik teleurgesteld. Het ligt niet aan het huisje, ik voel me er op mijn gemak. De omgeving is mooi. Het is zeker fijn om de heuvels te kunnen trainen voor de Heuvellandmarathon in maart. Helaas kan ik niet elke dag, niet de hele dag, rennen. Ik word gedwongen stil te staan bij mijn onrust.

Morgen gaat het weer sneeuwen, morgen heb ik nog een rustdag. Ik hoop dat de sneeuw niet blijft liggen. Ik hoop dat de keelpijn en algehele malaise in mijn lijf, zich niet ontwikkelen tot griep.

Ik hoop dat ik overmorgen weer kan rennen.

Ontspoorde trein

Afgelopen donderdag, begon ik aan mijn rondje hardlopen in de duinen. Terwijl ik mijn hardloophorloge vast naar de GPS wilde laten zoeken, ging ik hard door mijn enkel. Ik viel op de grond en zat daar misselijk van pijn en schrik. Gelukkig was ik nog niet te ver van mijn auto. Snel inventariseerde ik de schade en maakte een plan. Ik was op een doorgaand wandelpad, dus er zouden vast mensen langskomen, die me naar mijn auto konden helpen. Ik trilde en had het koud, van de schrik en van de pijn. Ik stond op en liep een paar stappen, het deed gruwelijk zeer, maar ik kon er nog op lopen. Ik besloot naar mijn auto te lopen. Toen ik vlak bij mijn auto was, zag ik twee andere hardlopers met een kinderwagen. De man keek mij even kort aan terwijl ik naar mijn auto strompelde. Hij zei niets. Eigenlijk had ik gehoopt dat hij even zou vragen “gaat het?”. Ik had iemand nodig die mij medeleven toonde.

Ik trok mijn warme donsjas aan, ging in de auto zitten en overdacht mijn opties. Als ik te lang stil zou blijven zitten zou mijn enkel alleen maar dikker worden en meer pijn gaan doen. Ik besloot een vriendin te bellen die een kwartiertje rijden vanaf de duiningang woont. Dan kon ik daar mooi even koelen en pijnstillers slikken, voordat ik naar huis reed. Helaas nam zij de telefoon niet op (het was een gewone werkdag). Ik besloot dan toch maar mijn tanden op elkaar te zetten en naar huis te rijden. Gedurende een half uur, verbeet ik de pijn en moedigde ik mijzelf aan dat thuis een Icepack en pijnstillers wachtte. Thuis zou ik mezelf ook kunnen toestaan te gaan huilen van de pijn en frustratie. Als ik nu medelijden met mezelf zou tonen, zou ik niet thuiskomen. Die middag zat ik op de bank met mijn pootje omhoog te koelen en te wachten tot de pijnstillers eindelijk gingen werken. Ik maakte me zorgen, de pijn was niet eerder in mijn ‘zwakke-enkelscarrière’ zo hevig. Ik besloot de volgende dag langs de fysio te gaan om te kijken wat de schade was. In de avond werd de pijn eindelijk wat minder.

De volgende ochtend besloot ik tot een experiment. Ik zou deze keer wél om hulp vragen. Ik kon best zelf met de auto of de fiets naar de fysio, maar dat zou behoorlijk pijn doen. Ik wist dat mijn buurvrouw mij zeker zou willen rijden, als ze kon. En ze kon, ze bracht mij naar de fysio. Mijn enkel werd getaped. Thuisgekomen appte een vriendin dat ze die middag wilde komen, zodat ik even kon klagen. Ze bracht wat lekkers voor bij de koffie mee en ik klaagde er op los. Eigenlijk was ik best tevreden met mijzelf. Ik had hulp gevraagd en ik had een aanbod om even verzorgd te worden geaccepteerd. Experiment geslaagd.

Ik werd wakker, de volgende dag, toen ontspoorde mijn trein, totaal onverwacht. De locomotief was ontspoord en had alle wagons uit balans gebracht. De locomotief was tezamen met de wagons van het talud gestuiterd. Ik was mijn houvast kwijt. De houvast om, om de dag, een rondje hard te lopen. De houvast om zo een dagdeel onder te pannen te zijn: het rijden naar de duinen, een rondje rennen, het terugrijden en badderen vult toch zeker een halve dag. De houvast om toch af en toe een voldaan gevoel te ervaren na een training. Ik raak in paniek. De onrust in mijn hoofd en lijf neemt toe. Het lukt niet om mij ergens op te concentreren. TV kijken houdt mijn aandacht niet vast. Een boek lezen lukt niet langer dan een kwartiertje. Ik speel veel spelletjes op mijn telefoon. Het lukt niet om mezelf te kalmeren, door naar muziek te luisteren of door een ademhalingsoefening te doen. Ik speel nog meer spelletjes. Mijn lijf protesteert. Mijn polsen trekken het vasthouden van de telefoon niet. Ik vloek, ben boos op mijn lijf. Ik kijk weer even TV. Ik leg mijn boek op een kussen, zodat ik het niet vast hoef te houden. Ik lees een kwartier en speel toch weer een spelletje op mijn telefoon en lees daarna weer een kwartiertje. Ik ben moe van mijn onrust.

Ik kan weer een stukje lopen, dus besluit boodschappen te doen. Ik haal te veel lekkers in huis en krijg een eetbui. Een volle buik is helemaal geen fijn gevoel. Het ontregeld mijn darmen. Ik weet ook dat het niet helpt. Het lekkers smaakt eigenlijk helemaal niet zo lekker als ik hoopte. Het eten vult tijd, vult mijn buik en geeft heel kortstondig een moment van ‘verzorging/warmte’.  Ik voel schaamte. Schaamte dat het me niet lukt, mijzelf te beheersen. Ik voel me schuldig. Schuldig dat ik mijn lijf verpest.

Ik vraag me af of het wel zo nodig was de buurvrouw te vragen om mij twee dagen geleden naar de fysio te rijden. Ik kan nu inmiddels al weer lopen. Ik vind mezelf een aansteller. Ik had gewoon zelf nog even door moeten bijten. Het is raar om twee dagen geleden nauwelijks te kunnen lopen en nu alweer een kwartiertje te kunnen wandelen. Ik probeer aardig te zijn voor mijzelf. Ik probeer mezelf te overtuigen dat ik echt niet kon lopen twee dagen geleden. Dat het écht ok was hulp te vragen, ook al zou ik het alleen ook hebben kunnen redden. Morgen is er weer een nieuwe dag, ik probeer te slapen en word moe en onrustig wakker. Weer een dag om te vullen. Ik ga klussen bij een vriendin. Zittend op de vloer kan ik prima de plinten verven. Het is fijn iets te kunnen doen en haar te kunnen helpen. Het houdt mij bezig. Aan het eind van de middag ga ik weer naar huis. Ik ben weer onrustig en maak een omweg naar de supermarkt. Ik eet weer een pak koekjes leeg. Ik voel me vol en schaam me weer.

Mijn trein is ontspoord. Ik worstel om hem weer op de rails te krijgen. Ik baal ervan. Mijn trein was net weer op het goede spoor. Mijn trein ging langzaam, maar gestaag vooruit. Af en toe was er een wagon uit balans, maar de snelheid van de locomotief en de andere wagons hielden die ene wiebelende wagon op het spoor. Ik zie mijn therapeut. Ik beken haar (voor het eerst) dat ik eetbuien heb en ik me daarvoor schaam. Gelukkig hoeven we het daar niet over te hebben. We weten beiden dat het een symptoom is van onrust. Van onderliggende problemen. Ik ben goed in ‘noodsituaties’, ik blijf koel en kan handelen en doen wat nodig is om te overleven.

Mijn crisis begint eigenlijk nu pas.

Kerstcadeau

Op de dag voor kerst werd ik gebeld door een oud collega. We waren via Twitter weer in contact gekomen en probeerde al een half jaar onze spoorboekjes synchroon te laten lopen om eens koffie te drinken en bij te praten. Mijn collega meldde dat hij om 14:28 uur bij het koffietentje kon zijn. Ik raadpleegde mijn interne navigatiesysteem en meldde dat mijn fiets mij om 14:32 uur zou afzetten.

We dronken koffie en deelde met elkaar waar we de afgelopen 3 jaren mee bezig geweest waren. Ik stond in de ratelstand. Ik vertelde hem van mijn poging een eigen bedrijf te starten (bootcamp & hardlopen in kleine groepjes) naast mijn werk als accountant een jaar of 3 geleden. Ik vertelde hem hoe ik ingestort was, in de crisis belandde, in het ziekenhuis behandeld werd met ECTs en daarna weer thuis kwam, zonder dat de behandelingen effect gehad hadden.

Ik vertelde hoe ik mijn werk als accountant weer probeerde op te pakken en uiteindelijk mijn baan als accountant verloor en in de WIA kwam. Ik vertelde hem dat ik dankbaar ben dat ik de druk van het werk niet meer hoef te voelen. Dankbaar dat ik de tijd krijg te herstellen. Dankbaar dat de maatschappij er op dit moment voor zorgt dat ik mijn hypotheek nog kan betalen en niet hoef te verhuizen.

Ik vertelde hem dat ik via het volgen van de cursus Werken Met Eigen Ervaring erachter kwam dat ik het leuk vind om mijn verhaal te vertellen. Om mensen met elkaar te verbinden en te praten over de zaken die er echt toe doen. We lachten samen. Vroeger, vond ik het namelijk vreselijk om te moeten netwerken, om voor groepen mensen cursus te moeten geven, om zelf aan cursus te moeten deelnemen. Altijd maar bang om te falen, om die ene vraag te krijgen die ik niet zou kunnen beantwoorden. Altijd op scherp, altijd gespannen.

We kwamen tot de conclusie dat het verschil tussen toen en nu “de innerlijke kracht” is. De kracht van binnenuit om te spreken over wat er binnenin mij leeft. Mensen te helpen, niet met het werk als accountant, maar met het zijn als mens.

Hij vertelde mij over waar hij mee bezig is. Een mooi project. Het creëren van een community, waarbij het doen van zaken gecombineerd wordt met het zijn als mens. Ook hij verbindt mensen. Hij heeft het talent om een verbindende factor te zijn tussen de zakenwereld en de wereld daarbuiten.

De koffie was veel te snel op, de tijd was snel voorbij. De zakenwereld riep mijn collega weer. We spraken af in contact te blijven. Onze wegen scheidden zich weer. We namen afscheid als vrienden.

Op de fiets naar huis, bedacht ik me, dat ik maar door had gerateld. Ik was in de ‘stuitermodus’. Bezorgd vroeg ik hem via de app of ik niet al zijn energie had ‘gepikt’. Verrast was ik toen ik terugkreeg: “… dat is grappig ik kreeg juist energie van jou”. Ik had er nooit bij stil gestaan dat ik een bron van energie voor een ander kan zijn. Dat ik energie te geven heb.
Ik was verwonderd. Ik glom van trots.

De app ging verder: “ik vind dat je supertrots op je zelf mag zijn. Wat jij gedaan hebt, kan de gemiddelde Nederlander niet aan. Je bent een sterke ziel!”. Mijn wangen kleurde rood. Wat een ontzettend mooi compliment.
Het raakt mij dat hij het woord “ziel” gebruikte. Niet “mens”, niet “vrouw”, maar “ziel”.

Verpakt in woorden, in energie, kreeg ik de middag voor kerst, een prachtig kerstcadeau.

Home