Afscheid van een vriend

Ik leerde je kennen in de zomer van 2001, in Italië aan het Gardameer.
Ik was meteen verliefd op jou.
We brachten zoveel mogelijk tijd met elkaar door.
Samen buiten in de natuur op vakanties of binnen in jouw woonplaats.
Ik leerde je steeds beter kennen.
Ik zag je in onze hoogtijdagen wel vier keer per week.
We waren trouwe trainingsmaatjes.

Soms verraste je me, met een moeilijk probleem.
Dan beet ik me in je vast.
Dan droomde ik ’s nachts van je.
Dan zag ik je vormen overdag overal, in muurtjes, in gebouwen, op straat.
Dan probeerde ik steeds opnieuw een oplossing ter verzinnen,
je even iets zachter of juist harder vast te houden,
de positie van mijn handen of voeten aan te passen,
net zolang tot ik jouw probleem had opgelost.

Je leerde me een hoop.
Over doorzetten en niet opgeven.
Over vallen en weer opstaan.
Over steeds maar weer opnieuw beginnen.
Over onverwachte successen.
Over onverwachte mislukkingen.

Je maakte me sterker als ik me sterk voelde.
Je gaf me een doel.
Je zag me ook als ik het zwaar had, meestal was ik dan bang voor je.
Toch bleef ik je ook in zware tijden opzoeken.
In de hoop dat ik de angst kon overwinnen.
In de hoop dat het goede gevoel weer terug kwam.
Dat we weer samen konden bewegen alsof we dansten, in een flow.
Dat we samen weer een probleem konden oplossen.
Dat we samen succes konden vieren, ook al was de blijdschap van korte duur.

Gisteravond kwam het besef dat ik je voor de laatste keer bezocht.
Ik probeerde, na je ruim 6 maanden niet te hebben gezien, nog één keer met je in gesprek te komen.
Het gevoel was als vanouds.
We dansten even samen.
Ik voelde je flow.
Je voelde vertrouwd.

Toch besluit ik nu afscheid van je te nemen.

Het doet me teveel pijn in mijn lijf,
om je aan te raken,
om me aan je op te trekken,
om je vast te houden.

Mijn vingers laten zich niet meer belasten,
mijn schouder laat zich niet meer uitstrekken,
mijn been wil zich niet meer bewegen, zoals jij van mij vraagt.

Ik heb tranen gelaten, mijn besluit staat vast.

Ik kom je vast nog eens opzoeken.
Om een kopje koffie te drinken.
Om naar je te kijken.
Om je nog toch nog even te voelen.

Ik ben je dankbaar voor alle mooie momenten die we samen hebben beleefd.

Dag lieve klimroute.

Dag klimhal.

Dag.

Home

Als je lijf je fopt

Het was een vrijdagmiddag. Ik zat in de bus naar Haarlem. Het was snikheet buiten en ijskoud in de bus. Ik volgde een middag cursus over “Lesgeven in groepen”. Ter voorbereiding op het begeleiden van de Herstelgroep Depressie die ik in het najaar mag starten. Ik was niet zenuwachtig, ik was niet gespannen. Ik keek uit naar de behandeling van mijn vraag: “hoe ga ik om met sterk aanwezige persoonlijkheden of juist stille mensen in de groep”, met andere woorden “hoe geef ik iedereen voldoende aandacht?”.

Voordat de cursus begon, ontmoette ik de andere deelnemers tijdens het wachten. Prettige mensen, ik voelde me op mijn gemak. De cursus begon en het voorstelrondje startte. Ontspannen luisterde ik naar het voorstellen en de vragen van de andere deelnemers. Ik nam mijn beurt en stelde me voor.

Mijn lijf schoot in de paniekstand. Ik kreeg het warm. Een stripfiguurtje in een tekenfilm, zou van beneden tot boven langzaam knalrood gekleurd zijn, terwijl het in een groeiend plasje zweet stond. Ik praatte door. In een split second vroeg ik mij af wat er nu gebeurde en vooral waarom. Deze reactie had ik lange tijd niet meer gehad. Ik schrok ervan. De volgende split second stelde ik mijzelf gerust. Paniek was niet nodig. Het was een prettige groep en ik was hier voor mijzelf. Geen prestatiedruk. De paniek trok wat weg. Ik maakte mijn 2 minuten praatje af.

Mijn lijf reageerde sterk, ik had dat niet verwacht. Ik voelde me overvallen, onprettig verrast. Mijn lijf herinnerde zich duidelijk nog alle onprettige trainingen en cursussen die ik tijdens mijn loopbaan als accountant gevolgd heb. Altijd was ik vooraf en tijdens zo’n training erg gespannen. Bang om mij voor te stellen. Bang voor de vraag, waar ik het antwoord niet op zou weten. Bang om dom gevonden te worden. Bang om uitgelachen te worden. Bang om te falen. Altijd bang. Altijd spanning. Dagen van tevoren al. Nu was de uitgangssituatie totaal anders. Geen druk, geen spanning vooraf.

Ik waande me veilig
Mijn lijf viel mij in de rug aan
Ik waande me veilig
Ik voelde me vrij
Ik waande me veilig
Moet ik een volgende keer weer alert zijn?
Ik waande me veilig
Zal ik maar niet meer gaan?
Ik waande me veilig
Komen lijf en hoofd ooit weer in balans?
Ik waande me veilig
Kan ik er op vertrouwen dat emoties komen en gaan?
Ik waande me veilig

Home

Van broodje kennis tot tweede kamer

In april 2017 startte ik met gesprekken met een arbeidsdeskundige. Mijn groepstherapie was afgelopen en mijn individueel therapeut ging naar een andere plek. Zij dacht dat het tijd was, dat ik weer aan het werk ging. Ik voelde me opgejaagd en onrustig. Aangekomen bij de arbeidsdeskundige gaf zij aan dat ze de ‘opdracht’ gekregen had mij binnen een week of zes te helpen. Ik voelde erg veel druk. Moest ik hier nu ook al weer weg, omdat de groepstherapie was afgelopen? Ik voelde me wanhopig, machteloos en depressief. Samen met de arbeidsdeskundige zocht ik naar wat ik zou kunnen en willen. Ik huilde bijna elke sessie, ik wist gewoonweg niet wat ik wilde. Ik wist wel dat ik me nog steeds enorm depressief voelde. Na een paar sessies kwamen we samen tot de conclusie dat het nog te vroeg was om terug naar een concrete baan te gaan. Zij gaf mij de tip om de cursus “Werken met Eigen Ervaring” te gaan volgen. Een laagdrempelige cursus van twaalf wekelijkse bijeenkomsten.

Ik besloot de cursus te gaan volgen. Het gaf mij voor één middag per week dagbesteding en misschien zou de cursus mij wat richting geven. Ik kwam terecht in een prettige groep, ieder met zijn eigen psychische kwetsbaarheid. Belangrijk was dat ik daar gewoon met mijn depressieve hoofd mocht zijn. Als ik even niet actief mee kon of wilde doen, was dat prima, dan mocht ik gewoon luisteren.

In de laatste lessen vertelde elke deelnemer zijn/haar ervaringsverhaal. De vorm was vrij, de enige beperking was, dat het in een minuut of tien moest passen. Ik koos ervoor mijn verhaal te vertellen met behulp van een PowerPointpresentatie met klimfoto’s. Het voelde enorm bevrijdend om vrijuit mijn verhaal te kunnen vertellen. Ik vertelde waar ik last van had, ik vertelde hoe ik depressief zijn ervaar. Ik vertelde hoe hoop en wanhoop zich afwisselde. In december 2017 vierde ik met de groep de diploma-uitreiking met kerstkransjes en Jip & Janneke champagne.

Ik liet mijn therapeuten mijn presentatie zien en horen. Het maakte indruk op hen. Ik voelde me gezien en gehoord. Mijn therapeute nodigde mij uit om tijdens hun maandelijkse lunchbijeenkomst “Broodje Kennis” mijn ervaringsverhaal te vertellen. Ik vond het heel spannend, maar besloot op haar uitnodiging in te gaan.
Het was een ontzettend mooie ervaring. De behandelaren waren onder de indruk van mijn verhaal. Er kwam een discussie op gang omtrent euthanasie. Er werd om mijn mening gevraagd en die mening werd vervolgens ook nog gerespecteerd en als advies ter harte genomen.

Vervolgens startte er een kettingreactie. Uit de ‘Broodje-Kennis-groep’ volgden meer uitnodigingen. Ik mocht spreken voor cliënten, voor behandelaren, ik mocht o.a. spreken tijdens een gastcollege op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Elke keer ontving ik positieve reacties. Ik raakte mensen met mijn verhaal. Ik gaf mensen een kader, herkenning en bood ruimte voor hun vragen.

Op een vrijdagmiddag in juni 2018, kwam er een uitnodiging om de week erop te spreken bij de boekpresentatie van Therapiewinst (R.Layard & D.M.Clark).

Het werd mijn eerste lezing voor een openbaar publiek. In het theater De Nieuwe Liefde, in Amsterdam, vertelde ik mijn verhaal voor zo’n 100 mensen.

Na afloop ontving ik mooie reacties van de sprekers voor mij en vanuit het publiek. Die zaterdag kreeg ik de uitnodiging om de maandag daarop mee naar de staatssecretaris (Paul Blokhuis) van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) te gaan. Om het manifest en het boek Therapiewinst aan te bieden.

In de trein naar Den Haag bedacht ik me: het zou geweldig zijn als het de delegatie lukt mij naar binnen te smokkelen. Aangezien ik last-minute was toegevoegd, stond ik niet op de lijst. Stel dat ik ook de staatssecretaris nog een handje zou mogen geven, dan zou dat top zijn! De trein passeerde Schiphol. Ik dacht, straks vraag de staatssecretaris mij nog wat ik doe? Kan ik maar beter nu een antwoord verzinnen, ik heb nog even. Bij het ministerie van VWS aangekomen, stond er al een groot deel van de delegatie klaar. Ik voelde me super welkom binnen de groep. Een paar mensen ‘kenden’ mij van vrijdag. Ik hen niet, ze zaten in het publiek vrijdag. Vreemde gewaarwording, soort van beroemd zijn……

Het moment van de bewaking was daar. Alle ID-bewijzen inleveren voor controle. “Mevrouw, u staat niet op de lijst”. “Klopt”, zeg ik, “ik ben op het laatste moment uitgenodigd”. Na wat heen en weer gebel, mocht ik toch naar binnen. We kwamen op de vijfde etage aan, inmiddels waren de fotograaf en de reporter ook aangekomen. Paul (zeg maar ‘je’) kwam ons, zonder stropdas, halen en bracht ons naar de knusse kamer. Terwijl wij koffie en thee kregen, ging hij een stropdas halen (voor de foto). Drie mensen van onze delegatie hielden hun pleidooi voor Therapiewinst: “Vroege en juiste behandeling leidt tot economische en persoonlijke winst”. Paul luisterde aandachtig en stelde goede vragen. Toen vroeg hij of één van de dames nog wat wilde zeggen.

Mijn hart klopte in mijn keel, toen ik mijzelf hoorde zeggen dat ik ervaringsdeskundige depressie ben en dat ik wel wat wilde vertellen. We hadden een kort gesprek en Paul toonde oprechte interesse. Nadat we een fotosessie hadden gehad, van de aanbieding van het boek Therapiewinst, was ons kwartier voorbij en stonden we weer buiten. Een fantastische ervaring rijker.

Het was nog niet afgelopen. Een paar dagen later, kreeg ik een mail. Of ik mee wilde naar de Tweede Kamer!?! Slik. Natuurlijk wilde ik dat! Deze keer was het wel de bedoeling dat ik wat zou zeggen. Ik kreeg 3 minuten spreektijd en bereide mijn verhaal grondig voor. Op 3 juli 2018 zat ik weer in de trein naar Den Haag. Ik las mijn verhaal nog eens door en besloot het begin aan te passen met het “nieuws van de dag”: ‘meer zelfdodingen onder jongeren’. Een wat bruut begin, maar we waren daar tenslotte om indruk te maken, te pleiten voor economische en persoonlijke winst door o.a. tijdige en juiste behandeling.

Bij de Tweede Kamer aangekomen, gingen we door de beveiliging. Jasje uit, schoenen uit, riem af, spullen in de bak en door de scanner. Gelukkig was alles in orde. We werden begeleid naar de ‘passantenhal’ voor de ingang van de vergaderzaal van de Tweede Kamer. De voorzitster van de Kamercommissie VWS, hield haar openingspraatje.

Ik was niet zenuwachtig, maar ik merkte dat mijn last-minute aanpassing meer impact op mijzelf had dan verwacht. Ik trilde, voor mijn gevoel bibberde mijn stem enorm. Later hoorde ik dat ik rustig en duidelijk overkwam.

De Kamerleden stonden om mij heen en luisterde met interesse naar mijn verhaal. Na de speech was er een fotomoment, waarbij onze delegatie het manifest en het boek Therapiewinst aanboden aan de Tweede Kamerleden. Er was nog even tijd voor een persoonlijk gesprekje met een paar Kamerleden. Het zijn net mensen, met hun eigen persoonlijke ervaringen.
De voorzitster kwam de bijeenkomst afsluiten, de Kamerleden moesten door. Ik werd bedankt voor mijn verhaal. Ons kwartier was alweer voorbij. Onze delegatie sloot de bijeenkomst af met een kop koffie en een tevreden gevoel.

Een kettingreactie, die begon bij “Broodje kennis” en mij bracht tot bij de Tweede Kamerleden in Den Haag. Dit had ik nooit van tevoren kunnen bedenken. Ik zeg “ja” op elke kans die voorbij komt, om mijn verhaal te vertellen, in woord of in geschrift. Ik vind het elke keer weer spannend en/of kwetsbaar, afhankelijk van mijn stemming op dat moment. Ik blijf mijn verhaal vertellen. In eerste instantie was dit voor mijzelf, voor de erkenning en begrip. Tegenwoordig vooral voor de luisteraar/lezer, in de hoop bij te dragen aan het verbeteren van de zorg voor jou, voor jouw vrienden, familie, collega’s, en kennissen.

Home

IJsblokjes examen

Het is warm, heel warm, de afgelopen dagen. Door de warmte heb ik meer last van jeuk dan ‘normaal’. Overdag gaat het nog, door de afleiding. De avond en nacht zijn lastiger. Het lijkt alsof de mieren op mijn huid dan actiever worden. Het lijkt alsof ze steken uitdelen, zodat mijn spieren in mijn lijf plotseling samentrekken alsof ik een elektrische schok krijg.

Ik google op “jeuk”. “Jeuk” blijkt een plaats in België te zijn. Niet waar ik naar op zoek was, wel een leuk weetje. Ik lees dat menthol poeder/gel voor verkoeling kan zorgen en de jeuk wat kan verzachten. De verkoeling zoek ik tot nu toe in een koude douche voor het slapen gaan. Dat helpt even. De mentholpoeder voert me terug naar een jeugdherinnering. Ik had waterpokken en stond in de badkamer op de rode stenen tegels. Mijn moeder bestrooide mij met mentholpoeder, dat hielp even tegen de jeuk.

Ik ga naar de drogist en haal mentholgel (direct maar twee tubes). In de avond, na mijn koude douche, smeer ik mijn armen, benen, rug en buik in met de menthol gel. Ik smeer gul. Het spul trekt goed in de huid. Ik ruik naar pepermunt. Ik kruip mijn bed in. Na een minuut of vijf krijg ik het koud. Kippenvel op mijn huid. Heel koud. Ik bibber, ik ril, ik klappertand. Ik trek het dekbed (ja echt..) over mij heen. Zo ril en bibber ik erop los. Dat spul brengt inderdaad verkoeling…. Ik voel me een ijsblokje. Of meerdere ijsblokjes in een koud glas cola. Toch zeker een half uur lig ik bibberend en rillend onder mijn dekbed.

Ik weet niet of dit nu het gewenste resultaat is. Door al dat bibberen kan ik ook niet slapen. Jeuk of bibberen. Kiezen uit twee ‘kwaden’. Na een tijdje neemt het bibberen af. Kan het dekbed opzij en heb ik genoeg aan het laken.

Ik val in slaap. In slaap! Heerlijk een paar uur achter elkaar slapen.

Ik ben gezakt voor mijn ijsblokjes-examen, geslaagd voor kampioen bibberen en ik heb geslapen!

Vanavond her-examen: iets minder dik smeren…..

Een Thais grottenstelsel

Ik bevind me ondergronds, in een grottenstelsel. Het is er donker, nat en koud. Om mijn warmte vast te houden, maak ik mij zo klein mogelijk. Opgetrokken knieën, mijn armen om mijn knieën heen. Net zo lang tot ik niet meer ril. Dan stijgt het water en moet ik watertrappelen. Ik houd mijn hoofd net boven het water, ik heb sterke benen. Ik weet dat ik moet blijven watertrappelen.

Ik studeer, ik sport, ik werk jarenlang als accountant en ik voel me ongelukkig. Vrijwel altijd. Niemand die het opmerkt.

Ik voel mijn beenspieren zwakker worden, ik besluit te kijken of ik naar een andere ‘zaal’ kan zwemmen, misschien kan ik ergens uitrusten. Ik zwem tegen de stroom in en vind een klein rotspuntje. Daar ga ik op zitten. Ik zit daar, duidelijk zichtbaar, in mijn eentje, kou te lijden.

Ik ga aan de pillen, ik bezoek een aantal psychologen. Ik denk dat zij mij kunnen helpen. Ik volg alle tips op die zij mij geven. Ik blijf werken, ik blijf sporten, ik blijf niet in mijn bed liggen. “Men” zegt dat het nu beter met mij gaat. Ik merk niets, mijn stemming blijft beroerd. Maar blijkbaar gaat het beter met mij, ik voel me onbegrepen.

Er drijft een dunne trui voorbij. Ik krijg hem te pakken. Wring hem uit en trek hem aan. Het is een wollen trui. Na een tijdje droog ik op en krijg het wat warmer op mijn rotspuntje. Plotseling breekt het rotspuntje af. Ik beland weer in het water en drijf met de stroom mee. Ik zie wat licht, maar kan er niet naar toe zwemmen, er is een sterke onderstroom. Ik zie een duiker staan in het licht. Ik roep heel hard, dat ik het niet meer vol hou, ik voel dat ik aan het verdrinken ben. De duiker zegt, dat ik nog een stukje door moet zwemmen, om de hoek staat een zuurstoffles. Ik strek mijn hand uit naar de duiker en vraag haar mij te komen halen, ik kan echt niet meer….. De duiker roept dat ik vol moet houden. Ik ga kopje onder, kom boven en drijf weer weg van de uitgang. Ik bots tegen een rotsblok aan dat mij de linker gang in stuurt en ik kom in een nieuwe zaal. Ik word uit het water getrokken en op het droge geholpen. Ik heb het berenkoud en ben zo moe. Ik krijg een T-shirt tegen de kou. Dat helpt wat.

Ik zeg mijn psycholoog dat het niet meer gaat, ik hou het niet meer vol. Ze moet me “nu” helpen. Ik vraag om een overleg tussen psychiater, huisarts en psycholoog. De psychiater en psycholoog besluiten onderling dat dat niet nodig is. Ik moet volhouden, het wordt vast beter. Ik ga zelf naar de huisarts, zij doet ontzettend veel moeite voor me en krijgt me in de crisisopvang. Ik krijg andere pillen. Ik moet aangeven waar ik behoefte aan heb. Rust. De Dood. Dat wil ik. Dat is geen optie. Ik weet het echt niet meer. Ik wil warmte, echt contact, een luisterend oor. Ik krijg een bed, pillen, protocol, dagbesteding.

Na een tijdje begin ik weer te bibberen, het T-shirt is niet warm genoeg. Ik wil zo graag een dikke trui en een warme joggingbroek. Ik besluit weer in het water te springen, op zoek naar een andere zaal, wellicht vind ik daar de dikke trui en warme joggingbroek. Ik zwem dieper de grot in en kom in een grote zaal. Ik klim op het droge en wacht. Ik hoor geboor van boven af. Ze zoeken mij. Ik zie flitsen licht als de boren door het dak van de grot komen. Het licht geeft mij de hoop op redding. Er worden vele schachten geboord, maar ik kan niet bij het licht komen. Ik laat mij weer wegdrijven.

Ik geef aan dat ik geen pillen meer wil. Ik wil dood of een oplossing die werkt. De artsen lijken eindelijk met mij mee te willen denken. Niet weer nieuwe pillen. Ze opperen de mogelijkheid van ECT (ElectroConvulsieTherapie). Ik lees me in. Ik zie het zitten. Hoge succes kans. Beperkte risico’s. Mijn enige mogelijkheid. Ik verhuis naar het ziekenhuis, ik krijg 13 ECT behandelingen. Ze helpen niet. Ik mag weer naar huis. Alleen.

Ik ga weer watertrappelen. Mijn benen zijn nog relatief sterk. Ik zwem diverse gangen in. De meeste lopen dood, ik zwem weer terug en probeer een nieuwe gang. Ik zie een oude reddingslijn, hier moeten meer mensen geweest zijn. Ik volg de lijn en kom weer in een zaal, vol met mensen in warme truien en joggingbroeken. Ik zie de kleding liggen, maar ik kan er niet bij. De mensen vertellen mij hoe heerlijk het is met een warme trui en joggingbroek. Ze vergeten me te vertellen, dat ik eerst om de rotsformatie heen moet zwemmen, de stenen trap op moet klimmen om zo bij de warme kleding te komen.

Ik ga weer werken en sporten. Ik onderga meer onderzoeken. Er blijkt een geschikte therapie te zijn. Ik ga op intake, ik mag er niet heen, want ik ben te depressief om daar behandeld te worden. Uiteindelijk krijg ik een plaats in een groepstherapie voor chronisch depressieve mensen. Ik leer er van alles, maar mijn stemming verbetert helaas niet.

Het water is inmiddels wat warmer geworden, ik moet dus dichter bij een uitgang zijn. Ik laat me meedrijven met de stroming. Ik zie een uitgang en ik zie twee duikers. De duikers hebben een enorm zoeklicht. Het zoeklicht valt op mij. Ze zien mij. Ze vragen of ik naar hen toe kan zwemmen. Ik zeg hen dat het me niet lukt. Ik heb geen kracht meer over. Ze aarzelen geen moment en springen het water in. Ze nemen een extra zuurstoffles mee. Zorgzaam zetten ze mij een zuurstofmasker op. Eentje zwemt er voor mij en houdt mijn hand vast. De ander zwemt achter mij en zorgt ervoor dat mijn zuurstoffles niet vast komt te zitten in de nauwe gang. Ik worstel met het ademhalen in het zuurstofmasker. Het lukt ons niet om met zijn drieën door de nauwe gang te komen. Ze laten me niet achter. We zwemmen een stukje terug en proberen een nieuwe gang. Deze is wat breder, maar leidt niet naar de uitgang. Weer laten ze me niet in de steek. Ze controleren of mijn zuurstoffles nog voldoende lucht heeft. Ik krijg een andere duikbril op. Ze wisselen van positie. Continu blijven ze bij mij.
We rusten uit op een rotspuntje. Ik geef aan dat ik helemaal stuk ben. Dat ik niet meer wil zwemmen. Ik ben klaar om het op te geven. Gezamenlijk besluiten we nog één poging te doen. Als we dan de uitgang niet vinden, zullen ze bij mij blijven, tot mijn zuurstof op is. We controleren een laatste keer de duikuitrusting. Ze leggen me deze keer erg duidelijk uit hoe ik moet ademhalen door het masker. We springen weer in het water. We zwemmen een nieuwe gang in. Het ademhalen gaat, na de uitleg, beter. Deze gang was verborgen, het leek onmogelijk om erdoor te komen, we doken omlaag in plaats van omhoog.
We zien het licht, de uitgang. Ineens zijn we in de open zee.
We kunnen alle kanten op.

Via de groepstherapie vind ik twee therapeuten die, na vele sessies, begrijpen waarom mijn stemming niet verbetert. Er is erkenning, herkenning, vertrouwen, bevestiging en vooral heel veel geduld en warmte. In vele kleine stapjes wordt mij de basis van het leven uitgelegd: De emoties.

Ik voel de kracht van de golven. Ik word nog regelmatig ver terug de grot in geslingerd. Gelukkig zit ik stevig vast aan mijn reddingslijn. Als ik deze reddingslijn blijf volgen, kom ik weer in open zee. Ik word sterker en zwem iedere keer net een stukje verder de zee op. Af en toe kom ik een eilandje tegen en rust ik wat uit. Ik doorsta sterke stormen en kom steeds dichter bij de kust. De kust die ik in de verte zie.

Door de basisbeginselen van het leven te onderzoeken en te begrijpen, maak ik kleine stapjes. Ik krijg de gelegenheid om mijn ervaringsverhaal te vertellen. Eerst voor een veilige kleine groep. Er volgen meer uitnodigingen. Het spreken doet mij goed. Het is goed voor mijn eigenwaarde en geeft mij een hoop zelfvertrouwen. Het doet me ook goed dat anderen profijt hebben van mijn verhaal. Ik ben er nog niet. Ik watertrappel nog regelmatig, ik ga af en toe kopje onder. Ik heb mijn reddingslijn. Ik heb de kustlijn in het vizier.

Home

Ik kan het nauwelijks geloven, ik heb een marathon uitgelopen!!

Het is dag 286 (28 mei 2018) en ik zit tevreden op de bank, met mijn “Leiden Marathon 2018 T-shirt” aan en mijn medaille trots om mijn nek. Ik kijk tevreden terug op mijn marathonproces:

Het was zomer 2017 en ik voelde mij lichamelijk en geestelijk slecht. Ik lijd al ruim 20 jaar aan chronische depressie. Ik herlas het boek “De Verademing” van Koen en Bram. Deze keer zag ik in dat een verbeterde ademhaling wellicht de sleutel was om mij lichamelijk beter te voelen. Ook liep ik al enige tijd hard, maar ik miste de structuur en vooruitgang. Ik besloot een sporttest te doen bij Nico in Amsterdam. Daar kwam uit dat ik zo’n 20 keer per minuut adem haalde, terwijl een keer of 6 normaal is, conditioneel was ik in orde. Ik besloot dat ik in 2018 een marathon zou gaan lopen.

Het eerste doel was de 10 kilometer binnen de 60 minuten te lopen (ik deed er op dat moment zo’n 70 minuten over). Ik schafte het 100-dagen programma aan en plakte de kalender op mijn koelkast. Ik liep hard en ik haalde adem, soms door een rietje zittend op de bank. Dat hielp. Na ongeveer 65 dagen begon ik mij fysiek iets beter te voelen, de energiesystemen kwamen beter in balans en ik liep de 10-km na 100 dagen in 58 minuten. Nu durfde ik het aan om mijn marathon te plannen op 27 mei 2018 in Leiden.

Ik had nog wel een tussenstap nodig. Dat werd de Halve van Schoorl. Het ware zware Halve Marathontrainingen en een oude beenblessure kwam helaas weer terug. Na overleg met Nico, paste ik het programma wat aan, nam massages en deed oefeningen. Op dag 171 liep ik de halve van Schoorl, pijnvrij en in een fantastische tijd van 2 uur 5! Het leek wel of het vanzelf ging, tempo constant, hartslag keurig op niveau. De laatste 2 kilometers heb ik nog flink aangezet, anders zou ik niet eens moe over de finish gekomen zijn……

Drie dagen later, liep ik mijn eerste rondje vogels weer. Ik had geen spierpijn, de masseur was verbaasd over de goede staat van mijn benen en rug. De week erna pakte ik het trainingsprogramma voor de marathon op. Langere lopen (heerlijk!) en op een lagere hartslag (ook fijn). Ik paste het trainingsprogramma iets aan, omdat ik toch bang was voor de oude beenblessure. In plaats van 4 keer per week, ging ik om de dag hardlopen. Zo kon ik in 105 dagen het volledige trainingsprogramma afwerken.

In overleg met mijn psychiater ging ik weer medicatie slikken tegen de depressie. De zogenaamde MAO-remmers. Ik kon nergens informatie vinden of dit medicijn effect zou hebben op mijn hartslag. Dat wilde ik enorm graag weten, zodat ik daar rekening mee kon houden in mijn trainingsprogramma. Ik besloot Bram Bakker (hardlopende psychiater) te mailen om te vragen of hij wist of hier informatie over bekend is. Tot mijn verassing mailde hij mij terug, hij had ook geen verdere informatie, maar hij dacht ook niet dat het effect zou hebben op mijn hartslag. Dus ik ging het experiment aan (n=1) en begon met slikken. Ja, er waren bijwerkingen, voornamelijk een lage bloeddruk, maar het effect op hartslag leek verwaarloosbaar. Het enige waar ik bij het hardlopen last van heb, is dat het opstarten wat moeilijker gaat, vaker ‘pap-in-de-benen’, maar dit trekt meestal weg. Opgelucht dat de medicatie weinig effect leek te hebben, trainde ik verder.

Op dag 239 ging ik tijdens een training hard door mijn enkel. Ik vreesde voor mijn marathon (dag 285). Ik zat 5 dagen lang, zo veel mogelijk met mijn been omhoog, ijsde 4 tot 5 keer per dag mijn enkel (en nam yoghurtijs voor in mijn buik, herstel van binnenuit…), deed oefeningen voor mijn enkel en extra ademhalingsoefeningen. 6 dagen later, liep ik mijn eerste hardlooprondje met brace en dat ging goed. Zo goed, dat ik de week daarna, zonder brace, mijn schema weer kon oppakken.

Ik ging me realiseren dat ik de start van de marathon ging halen! Toen kwam de kwestie van ‘eten onderweg’; van gelletjes en sportdrank word ik wat misselijk, dus ik ging experimenteren met een prakje van dadels, banaan en wat zout. Daar zou ik de marathon op gaan lopen samen met een flesje bouillon voor het nodige zout. Ook hield ik rekening met een zeer warme marathondag. Ik ging hardlopen op de warmste dagen op de warmste tijden en als het wat koeler was, trok ik een extra trui aan. Zo hoopte ik mezelf goed te kunnen voorbereiden tijdens een warme marathondag. 3 weken voor de start van de marathon, moest ik mijn medicatie ophogen. In overleg met de psychiater, besloten we te wachten met ophogen tot na de marathon. Opgelucht trainde ik verder.

Dag 285 brak aan. M-day! Ik was een uurtje te vroeg in de Pieterskerk. Het was er druk, heel veel halve marathonlopers. Ik zocht een rustig hoekje en was stikzenuwachtig. Ik zat daar een tijdje en deed wat ademhalingsoefeningen, ik werd rustiger. De halve marathonlopers waren vertrokken naar de start en ik ging me eens rustig omkleden en mijn tas afgeven. Ik vertrok naar de start met nog een flesje water. De voorspellingen waren uitgekomen, het was warm! Dat betekende, vasthouden aan het plan “lopen op marathonhartslag” en het tempo daar een gevolg van laten zijn. Doel 3: de marathon binnen 4 uur 30 lopen, moest ik loslaten.

Het startschot klonk, een minuut of 7 later ging ik onder het startdoek door. Ik slikte een brok in mijn keel weg en voelde ook wat traantjes opkomen. Doel 1: het ‘heel’ aan de start van een marathon staan, was gelukt! Ik pakte mijn ‘lage marathonhartslag’ op, om die de eerste 14 kilometer niet meer los te laten. Ik moest soms wat inhouden, als ik merkte dat de hartslag omhoog ging. Mijn mantra was: “de marathon is 30 km inhouden en 12 km volhouden”; ik zat nu duidelijk in de “inhoudfase”. De tweede 14 km liet ik mijn marathonhartslag oplopen, tot ‘hoge marathonhartslag’. Dit liep wat lekkerder, ik hoefde niet zoveel meer in te houden. Ik dronk bij elke post water en mikte ook flink wat water over mijn hoofd en lijf. Ik liep onder elke douche door om koel te blijven. Ik bleef op mijn ademhaling letten, langer uitademen, dan inademen.

De derde 14 km brak aan. Ik had mijn hoofd wijs gemaakt dat het slechts een kwestie was van 3 trainingen achter elkaar lopen…. Ik mocht de marathonhartslag loslaten en op gevoel verder gaan. Ik bleef maar mensen inhalen en liep stug door. Rond km 32 begonnen mijn beide benen behoorlijk te protesteren, spierpijn! Gelukkig geen kramp, maar het tempo opvoeren lukte niet, hierdoor bleef de hartslag mooi laag. Ik concentreerde me op mijn ademhaling en stuurde in gedachten extra zuurstof naar mijn benen (alle beetjes helpen 😉 ).

Rond km 35 was daar ineens een vriendin van mij op de fiets. Zij kon een km of 4 meefietsen, voor zij van het parcours moest. Dat hielp. Precies de zwaarste km’s steunde zij mij. Rond km 39 voelde ik de traantjes weer opkomen. Ik ging het halen! Maar wat deden mijn benen pijn! Het mantra kwam weer terug, ik zat duidelijk in de “volhoudfase”. Het publiek werd talrijker, de aanmoedigingen klonken en daar was de finish! Doel 2: “de marathon uitlopen” was gelukt.

Ik ben tevreden met mijn eindtijd (4 uur 56), net onder de 5 uur.

Ik kan het nauwelijks geloven, ik heb echt een MARATHON uitgelopen!

Leiden 2018

Home

Welkom

Welkom op mijn site. Ik werk nog volop aan deze site, dus kom gerust nog eens terug om de veranderingen te bekijken.

Laat vooral een bericht achter met je feedback.