De Socialrun

Als het onwaarschijnlijke, waarschijnlijk wordt

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat we op vrijdagochtend 20 september op het startterrein verzamelden. Nadat ik de startformaliteiten had afgerond, liep ik naar ons startrondje en ontmoette ik voor het eerst mijn laatste twee teamleden. Ik voelde gelukkig meteen een klik.

Tot mijn grote verrassing verscheen mijn zusje op ons startrondje om mij een knuffel te brengen en uit te zwaaien. We maakten een zussie-selfie om dit bijzondere moment vast te leggen. Nadat iedereen gereed was liepen we met z’n allen naar het startterrein voor een laatste koffie, broodje en de startfoto. Er hing een bijzondere sfeer op het startterrein. De DJ speelde precies de goede muziek. Ik voelde ‘het’ in mijn hele lijf. De emotie. Het feit dat we écht gingen starten met zijn allen, sloeg bij mij in als een bom. Het ‘onwaarschijnlijke’ was gelukt.

Eenmaal onderweg kreeg ik een ontroerend appje van mijn zusje, waarin ze vertelde het super bijzonder te vinden dat ze bij de start kon zijn én dat ze de ‘stoere zus’ van vroeger weer herkende. Dat zorgde voor stof tot nadenken, tijdens de eerste etappe…

Het was prachtig weer en het lopen ging heerlijk. Ik kwam al snel in het ritme van lopen, wisselen, kletsen en meerijden. Voor mij kwamen de moeilijke momenten veel eerder dan verwacht. Ze confronteerden mij met de dingen die ik nog steeds moeilijk vind: ‘Loslaten’, ‘Onzekerheid’ en ‘het niet aan durven geven wat ik nodig heb’.

Vrijdagmiddag had ik na het lopen van mijn etappe last van een hongerklop, omdat ik er niet aan gedacht had te lunchen tijdens het rennen. We kwamen aan op ons basiskamp en ik had verwacht direct te kunnen eten, maar de magnetron kon de bevroren pasta niet snel genoeg naar mijn zin bereiden. Ik werd humeurig naar mijn teamgenoten. Achteraf voel ik me daar rot over. Iedereen deed tenslotte zijn best, voor bijna iedereen was de Socialrun een nieuwe ervaring. Ik had ook zorgen of onze volgende loopster op tijd zou arriveren om aan te sluiten bij de volgende etappes, aangezien we sneller liepen dan verwacht. Ik had zorgen of de timing van de teamwissels zou kloppen. Ik kon me nog niet overgeven aan het ritme van de Socialrun.

Een ander moeilijk moment was tijdens mijn tweede etappe van vrijdagavond. Ik kreeg veel last van mijn enkel. Ik had zeker pijn verwacht, aangezien ik nog aan het revalideren ben van mijn enkeloperatie, maar niet zo vroeg al. De pijn overviel me en na mijn eerste shift kroop ik, verdrietig, stilletjes op de achterbank van het busje en zocht mijn pijnstillers. Nadat mijn vriendin klaar was met haar shift, deelde ik mijn zorgen over mijn enkel met haar. Het zou nog zo’n 30 minuten duren, voordat ik aan de volgende shift mocht beginnen, misschien moest ik een shift overslaan. Of wellicht moest ik een hele etappe skippen? Allerlei scenario’s speelden door mijn hoofd. #meedoen was toch winnen? Ik kon altijd wisselen met onze chauffeur. Maar ik wilde zo graag rennen! Mijn andere teamgenoten hoorden van mijn zorgen en dachten met mij mee. Zij stelden voor dat ik in plaats van twee kilometer shifts, anderhalve kilometers zou gaan rennen. Ik voelde me gesteund door mijn team. Ik besloot het te proberen. Tegen de tijd dat ik aan de beurt was, werkten de pijnstillers een beetje en ik rende mijn shift. Nog niet vol vertrouwen, maar het zou me in ieder geval lukken deze etappe uit te rennen. Daarna zou ik 5 uur rust hebben en zou ik kijken hoe het ervoor stond.

Moe en met zorgen over mijn enkel, kwam ik rond 01.00 uur aan in ons basiskamp en ging op zoek naar een slaapplek. Ik zag mensen op matjes en kussens op de grond in de brandweerkazerne liggen en ik zag mensen in onze campers liggen. Ik kon geen matje vinden en zag dat er nog twee zitjes in de camper niet omgebouwd waren tot slaapplek. Ik durfde niet midden in de nacht herrie te maken om de zitjes om te bouwen tot een slaapplek. Ik was bang slapende mensen wakker te maken. Ik pakte mijn slaapzak, vond een losliggend zitkussen en bracht de volgende twee uren door met wat oncomfortabel liggen en onrustig heen en weer door de kazerne lopen. Ik was boos op de basiskampleider. Ik was boos op mezelf dat ik niet toch een verdeling van de slaapplekken in het draaiboek had opgenomen. Nu ben ik vooral boos op mezelf dat ik niet gewoon herrie had gemaakt om een bedje voor mezelf om te bouwen. Volgens mij sliep er trouwens vrijwel niemand met de compressor van de brandweer die om het half uur op volle sterkte aansloeg…

Heel vroeg op zaterdagmorgen (of midden in de nacht, zo je wilt..) was het tijd voor een oppeppende reuzenbeker cappuccino. We sprongen in het busje op weg naar de volgende teamwissel, die over een klein uurtje zou plaatsvinden. Ik probeerde het nare gevoel wat ik had van me af te schudden en klaagde er in de auto op los. Mijn teamgenoten lieten me klagen en reageerden begripvol. Met één teamlid sprak ik af dat hij mij na de tweede shift zou helpen herinneren om wat te eten. Ik zou hem helpen herinneren om te blijven drinken. Ik sprak met mezelf af dat dat ik in het volgende basiskamp hoe dan ook een plekje voor mezelf zou claimen. Ik haalde diep adem en probeerde mijn boosheid van mij af te zetten. Gespannen startte ik mijn eerste shift. Gelukkig deden pijnstillers en mijn enkelbrace hun werk. Langzaam kreeg ik het vertrouwen dat ik ook deze etappe zou kunnen rennen en kon ik genieten van de koude zaterdagochtend. Samen met mijn teamleden zagen we een prachtige combinatie van nevel en zonsopkomst. Ik begreep het weer. Vanaf dat moment werd het simpel: af en toe een stukje rennen én iets beter voor mij zelf zorgen.

In de loop van zaterdagochtend kwamen we aan op het volgende basiskamp, gelegen op een rustige mini-camping. Er stond een tafel met eten & drinken voor ons klaar. Ik at een zuiveltoetje en nam een wonderdrankje (glas chocomelk). Ik liep weg uit een confrontatie met de woorden dat het beter voor iedereen was als men mij een uurtje met rust liet. Ik vond mezelf egoïstisch en een chagrijn, maar ik wist ook dat ik tot rust moest zien te komen. Ik vond mijn slaapzak en ging heerlijk boven in de camper een uurtje liggen rusten. Ik sliep niet, ik lag wel lekker en ik rustte uit. Ik hoorde gemoedelijk gekeuvel van mijn teamgenoten om mij heen. Ik voelde me wel soort van ‘herboren’ toen het tijd was om de volgende etappe te starten. Mijn energie kwam terug. Natuurlijk waren er nog steeds frustraties, maar die kon ik veel beter verwerken.

Ik bereidde mij voor op de beruchte zware zaterdagnacht etappe, bij elke shift dacht ik: nu zal het wel zwaar worden. Maar ik kreeg het niet meer zwaar. Het lopen ging als vanzelf. Een vriendin maakte mij deel van haar vreugde, dat haar vriend zomaar een eind gereden had om haar even te kunnen aanmoedigen onderweg. Ik was haar dankbaar dat ze haar ontroering op dat moment met mij deelde. Het voelde alsof ik een cadeautje kreeg. Het was prachtig om laat in de avond met het pontje over te varen en door Haarlem te rennen.

Gedurende de gehele Socialrun bleef ik verrast worden door de sfeer:
De 9-persoonsbusjes van andere teams die we steeds tegen kwamen, het toeteren en zwaaien onderweg, de motorrijders van de Socialrun die af en toe kwamen kijken of het nog goed ging met ons. Mijn teamgenoot die in de koude nacht steeds ongevraagd klaar stond met mijn donsjas na mijn shift. De mensen langs de kant, de doorkomsten onderweg, waar we vaak net iets te vroeg doorheen kwamen voor het grote feest, maar waar we zeker volop werden aangemoedigd. De teamwissels, waarbij we even kort contact hadden met het andere team.

Voordat ik het doorhad was het alweer de laatste etappe van team A. Gelukkig hadden mijn teamleden dat beter door dan ik en werd er een plan gemaakt, zodat iedere loper bij de laatste shiftwissel werd toegejuicht door ons team. Van de allerlaatste teamwissel maakten we een feestje.

Wij, als team A, gingen vast vooruit naar Soest, terwijl team B de laatste etappe liep. Daar wachtten ons een heerlijk ontbijt met pannenkoeken en eieren met kaas en spek. Relaxt en in het zonnetje wachtte ik tot het tijd was team B feestelijk binnen te halen en met zijn allen te finishen.

Opeens kreeg ik een appje van team B. Mijn oom en tante bleken onderweg langs te de route te zitten. Ze waren niet te missen met hun aanmoedigingsbord en gejuich, toen team B voorbij liep. Gauw stuurde ik hen een appje. Dat ik al in Soest was en dus niet voorbij zou komen.

Team B had vleugels gekregen, het was al snel tijd om naar de weg te lopen en ze daar op te wachten, zodat we met zijn allen konden finishen. Ineens zag ik mijn oom en tante op het finishterrein. Ze bleken helemaal naar Soest gekomen te zijn om de finish mee te maken. Ondertussen ging de tamtam rond: “verzamelen, team B komt eraan!”

Het is een onbeschrijfelijk gevoel wat er door mij heen ging, toen we met zijn allen naar het grote podium renden. De tranen stonden in mijn ogen. Wat een groot feest. De DJ was weer daar, met de juiste muziek op het juiste moment. We kregen de medailles omgehangen door Frank en Nienke, tezamen met de bijbehorende knuffels. Ik zag mezelf rondspringen op het podium, ik ging los met mijn team, iets wat ik nog nooit gedaan had. Ik voelde ‘het’ diep in mijn lijf. Frank riep mij naar beneden en samen openden we een fles Jip & Janneke champagne, ik nam een slok en gaf de fles door aan mijn team. We hadden wel uren op dat podium kunnen blijven staan dansen…

Eenmaal van het podium af, voelde ik de behoefte om elk teamlid een knuffel te geven en te bedanken voor zijn/haar bijdrage. Ik vond ook dat ik bij mijn oom en tante moest zijn. Tenslotte waren ze helemaal voor mij naar Soest gekomen. Ik voelde me wat verscheurd, maar besloot dat ik dit moment het allerliefste met mijn team wilde feest vieren. En feest hebben we gevierd!

Terug op ‘ons’ rondje wachtte mij nog een verrassing. Een vriendin had een fles heerlijke champagne meegesmokkeld in de camper. Zo kwam het dat ik mijn allereerste fles champagne open mocht maken, gelukkig kreeg ik duidelijke instructies van mijn teamgenoten en morste ik bijna geen druppel.

Het was heerlijk, champagne zo direct uit de fles op mijn slippers…

Het was heerlijk, de Socialrun, de verbondenheid…

Oefendag

Afgelopen zondag was het zo ver: Oefendag met team Fit4Fun voor de Socialrun. Het plan was als volgt: team A en team B leggen ieder een etappe van 50 km af, waarbij team B tien minuten later start dan team A. (In tegenstelling tot de Socialrun liepen we dus gelijktijdig). De lopers wisselden elkaar elke twee kilometer af, de fietsers fietsten de gehele etappe en de chauffeurs en navigators deden hun uiterste best om ons op koers te houden. Ondertussen ging het basiskamp team aan de gang met het opzetten van de tent(en) en zorgden voor lekkere hapjes en drankjes.

In een eerder blog schreef ik dat ik het lastig vond om me niet met de route en navigatieperikelen te bemoeien. Dus dat had ik ook niet gedaan (‘exposure’ heet dat in therapietaal). Het enige wat ik gedaan had was de route gedownload op mijn telefoon om de navigatie app een beetje te leren kennen. Rond 9:00 uur kwam ik samen met twee teamgenoten aan op de verzamelplaats. Iedereen was vol goede moed én het was prachtig warm weer. Ik was enigszins ontroerd door het zien van alle mensen: het was bijna iedereen gelukt te komen! Ik maakte een praatje met de nieuwe teamleden en probeerde er voor te zorgen dat iedereen op zijn gemak was.

Het was tijd om nog even mijn teamleidersrol te pakken. Ik positioneerde mijzelf letterlijk in het midden van de cirkel met teamgenoten. Zo letterlijk in het middelpunt staan, was niet echt fijn. Ik had daardoor mensen in mijn rug die ik niet kon zien. Ik verplaatste mijzelf naar de rand van de cirkel en stelde voor maar eens te beginnen. Er ontstond een klein probleem toen bleek dat we in team A een loper te veel hadden om in de rust op de achterbank van de bus te kunnen zitten. Even was er paniek bij mij: “hoe los ik dit op?”. Met twee lopers tegelijk lopen, was een optie die bij mij op kwam.

De kracht van het team kwam direct naar voren: Waarom zouden we niet gewoon de extra loper op de vouwfiets mee laten rijden? Dat is nog goed voor de spieren ook! In minder dan een minuut was er een nieuw wisselplan uitgewerkt en voor ik het door had gingen we op weg. Ik was teamleider af en werd loper nummer 4. Perfect. Ik nam plaats op de achterbank en maakte kennis met een nieuw teamlid. Het bleek de perfecte modus. Stukje rijden, uitstappen, wachten op de wissel van loper 2 met loper 1, van loper 1 met vouwfietser en weer instappen in de bus voor de volgende stop. Bij elke wissel veranderde de samenstelling van mensen in de bus. Bij elke wissel bleek er wel weer wat te kletsen. De sfeer was gemoedelijk. Het verraste mij hoeveel tijd er bleek te zijn om rustig te kunnen wisselen, door te rijden naar de volgende stop en weer te wisselen. Het gehaaste gevoel, wat ik verwacht had, bleef gelukkig uit.

Als loper voelde ik me in de watten gelegd, ik hoefde alleen maar bij mijn fietser te blijven. De ene keer was fietser 1 bij mij, de andere keer fietser 2. Een richtingswijziging werd op tijd aangekondigd, mijn tempo werd in de gaten gehouden én één-letter-grepige antwoorden waren prima.

De humor in ons team was continu aanwezig. Ik weet nog steeds niet of er nu wel of niet kauwgomachtige ophanghaakjes te koop zijn… Ik kon het niet nalaten om bij een cafétje langs de route meeneemkoffie te vragen voor de chauffeur en navigator, terwijl ik even van het toilet gebruik maakte. Of het door die cafeïne kwam, valt niet te achterhalen; maar ruim over de helft stonden we op de loper en fietsers te wachten. En te wachten…

Tot de telefoon van de navigator ging. Het was fietser 1: “jullie moeten doorrijden, wij zijn jullie al lang voorbij!”. De navigator dacht dat dit om team B ging en nam haar melding voor kennisgeving aan. Wij wachtten nog steeds op onze fietsers en de loper. Zouden ze stilstaan achter één van de vele bruggen die omhoog bleken te staan op onze route? We wachtten nog even… Toen kon ik me niet langer inhouden en belde fietser 1. Ik kreeg als antwoord: “ik zei net tegen de navigator dat jullie door moesten rijden!” Het kwartje viel, ons team stapte in de auto en haalde onderweg team B in (waar komen die nu vandaan?). We waren verbaast hoe ver onze fietsers en loper al gekomen waren. Uiteindelijk haalden we ze bij en wisselde van loper. Weer bleek het oplossend vermogen van ons team. De loper en vouwfietser hadden al gewisseld, zodat de 2 kilometers niet veel meer dan 2 kilometers waren geworden.

Inwendig vervloekte ik mezelf: “Ik had tóch moeten kijken naar de risicopunten van de route! Daar waar de auto een andere route als de fietser moest rijden, dan had ik dit kunnen voorkomen”. Het team bleef verbazingwekkend rustig. Niemand werd boos op mij, niemand was geïrriteerd dat het niet helemaal volgens plan liep. Ik bedaarde weer wat en dacht: “zo kan het dus ook…”. Tijdens de volgende stop analyseerde de navigator en chauffeur met elkaar wat er mis gegaan was en zaten we al snel weer in het ritme van rijden, rennen, fietsen, kletsen en lachen. De tijd en de kilometers volgen voorbij, sneller dan verwacht waren we weer terug bij het startpunt en werden feestelijk ingehaald. Het basiskamp team wachtte ons op met heerlijk eten en drinken én een opgezette tent. Er werd nagepraat en nagelachen. Het was een mooie dag.

Wat ik er van heb opgestoken is dat de kracht van het team groter is dan ik dacht én dat er op het dashboard van het busje een namenlijstje van team A moet komen…

Socialrun: hoe het begon

Het was september 2018 en ik had mij net opgegeven om de van-Dam-tot-Damloop te lopen voor stichting MIND. Kort daarna, zag op Twitter een oproep voorbij komen: ‘loper gezocht voor de Socialrun’. Dat leek mij wel wat. Helaas is de Socialrun in het zelfde weekend als de van-Dam-tot-Damloop. Op dat moment besloot ik dat ik in 2019 met de Socialrun mee zou gaan doen. Als loper, verder niets: geen georganiseer, geen verantwoordelijkheid, alleen rennen.

Na het zien van de foto’s van de Socialrun op Facebook, wist ik het zeker: ik wil meedoen! Echter ik kende nog geen mensen, zou ik wel een team kunnen vinden? Zo ontstond het idee om ‘dan maar’ met een eigen team mee te doen. Ik had geen idee waar ik aan begon, maar besloot het gewoon te proberen. Vanaf dat moment werd mijn persoonlijk missie: #meedoeniswinnen.

Ik vroeg al mijn vrienden of ze mee wilde doen, ik plaatste berichtjes op Facebook en Twitter en ik maakte me druk over de financiën. In het ergste geval zou het me niet lukken een team rond te krijgen en dan zou ik het inschrijfgeld kwijt zijn, ik besloot dat risico te nemen. Langzaam meldden zich wat vrienden, er kwamen vrienden van vrienden, er kwam een deelnemer via Twitter en zo was er op 25 november 2018 de eerste informatiebijeenkomst met een select groepje mensen. We maakten kennis met elkaar en we maakten plannen. Gedurende de daarop volgende maanden, trokken mensen zich terug en sloten er (on)bekende mensen aan.
Misschien was het onmogelijke toch mogelijk.

Ik had sponsorgeld nodig, want ik wilde per se mijn teamleden niet om een verplichte eigen bijdrage vragen. Iedereen die mee wilde doen, moest mee kunnen doen. Deze instelling zorgde ervoor, dat ik mijzelf wel veel druk oplegde. De druk om het perfect te regelen voor mijn team. Ik wilde dat zij in een gespreid bedje kwamen. Ik vond dat ik alles zelf moest regelen. Ik voelde verantwoordelijkheid en druk. Er kwamen wonderen op mijn pad: Ik werd verrast door een grote donatie, ik werd verrast door een teamlid, dat zijn zakelijk netwerk aansprak en heel veel sponsorgeld binnen haalde. Een ander teamlid regelde boodschappengeld bij de appie.
Het begon erop te lijken dat het onmogelijke mogelijk werd.

De Socialrun is een mooi project om te zien welke persoonlijke ontwikkeling ik zelf de afgelopen jaren heb doorgemaakt. Wat ik al geleerd heb en wat ik nog moet bijleren. Elke vraag of verzoek dat ik aan een teamlid doe, voelt verschrikkelijk. Ik heb dan het gevoel dat ik de ander enorm belast. Dat de ander dan een negatief gevoel zal ervaren en dát wil ik tot elke prijs voorkomen. Ik kan het bijna niet geloven als iemand aanbiedt iets te regelen, waar ik zelf enorm veel moeite mee heb. Automatisch ga ik er dan vanuit dat die ander die taak ook wel vervelend zal vinden.

Ik merk dat ik veel (zo niet alles…) op mij persoonlijk betrek. Een afwijzing op een sponsorverzoek of een afwijzing op mijn uitnodiging om in het team deel te nemen, voelt als een klap in mijn gezicht. Het terugtrekken van mensen voelt als persoonlijk falen, het voelt als een afwijzing. Natuurlijk is het niet persoonlijk, maar zijn het de omstandigheden die de betreffende mensen deden besluiten zich (tijdig!) af te melden.

Het voordeel van zaken persoonlijk opvatten is dat iets positiefs als een cadeautje voelt. Bijvoorbeeld als een nieuw teamlid zich aanmeldt. Of als het een teamlid gelukt is een sponsorbijdrage los te krijgen. Als ik een e-mail krijg met de inmiddels legendarische woorden: “eigenlijk sponsoren we niet, maar we vinden je motivatie en de Socialrun zo goed, dat we deze keer willen helpen”. Het is een cadeautje als teamleden zeggen het leuk te vinden om de wissel- & rustplaatsen te regelen en daarvoor in een dag door Nederland te rijden. Het is een cadeautje als een ander teamlid meldt het helemaal niet erg te vinden om telefonisch iets te regelen. Dan voel ik me energiek en high.

Er zijn ook momenten dat ik niet meer zie zitten. Dat ik het overzicht verlies. Dat ik bang ben dat ik de verkeerde (financiële) keuzes heb gemaakt. Dat ik niet genoeg spullen of geld voor het team heb. Dat er van alles ronddraait in mijn hoofd, maar niets een plekje vindt. Dan weet ik dat ik er voor moet gaan zitten en moet proberen op te schrijven wat er ronddraait. In een poging orde in de chaos te scheppen. Dat betekent een draaiboek uitwerken en de begroting bijwerken. Dat betekent de logistiek achter team A, B, basiskamp in schema zetten, zodat ik kan zien dat het klopt. Dat betekent investeren van tijd en energie. Energie die mij op zo’n moment ontbreekt. Dat betekent ook dat er daarna weer rust is in mijn hoofd.

Helaas kan ik niet alles vatten in een schema of draaiboek. Hoe goed ik het ook probeer voor te bereiden en te plannen, er blijven onzekerheden. Onzekerheden zijn er om te delen, heb ik gemerkt. Het delen van onzekerheden kan mij opluchting geven. Een bemoedigend woord ontvangen van een teamlid, doet wonderen. Het geeft me het gevoel dat ik niet alleen ben met mijn onzekerheden. Dat ik mag delen dat ik ‘zwak’ ben en dat ik behoefte heb aan bevestiging en/of steun op zo’n moment. Het is fijn om te merken dat ik er mag blijven zijn, mét mijn onzekerheden. Ook al ervaart die ander niet dezelfde onzekerheden. Dat geeft kracht.

Komend weekend oefent team Fit4Fun 50 km lang met rennen, fietsen, rijden en ondersteunen. Het maken van de oefenroute heeft een teamlid op haar genomen. Ik vind het vreselijk lastig om mij hier niet tegen aan te bemoeien. Ik onderdruk de neiging om de route tot in detail te gaan bestuderen. Ik geef me over aan mijn onzekerheid, maar ik geef me vooral over aan de kundige handen van de navigators in ons team.

Teamkracht gaat mij helpen.
Het onmogelijke is mogelijk!

Sportschoolangst

Ik ging vanmorgen met lood in mijn schoenen naar de sportschool om mijn revalidatieprogramma voor mijn enkel af te werken. Het werd een zware training.
Ik voel me nooit zo op mijn gemak in de sportschool. Al die ogen die naar mij lijken te staren. Het gebrek aan contact. Allemaal in de zelfde ruimte, ieder voor zich bezig.

Ik begin op de trap: tenen op de tree, hakken laten zaken en dan uitstrekken op mijn tenen. Uiteraard willen er mensen langs als ik op de trap sta. Ik zeg gedag en laat een man passeren, die mij gedag terug zegt. Ik denk: “hé, een bekend gezicht”, maar ik kan het gezicht niet plaatsen. Even was er contact, ik voelde me niet helemaal meer alleen.

Tussen de series door, loop ik heen en weer, over de fysiomat van 10 meter. Ik voel me bekeken. Maar ik doe braaf wat de fysio mij gezegd heeft. Ik loop weer terug naar de trap. Nu staat daar iemand op ‘mijn’ plek! Even weet ik niet wat te doen. Zal ik vast een andere oefening gaan doen en later terug komen? De trap is breed genoeg, er passen best twee mensen op. Ik merk dat ik letterlijk moeite heb om ruimte in te nemen, bang om een ander tot last te zijn. Ik besluit er tóch naast te gaan staan en maak even kort contact met een grapje. Dit verlaagt mijn spanning iets. Eigenlijk vraag ik op deze manier toestemming om ruimte op te trap te mogen innemen, realiseer ik me nu. Ik maak mijn oefening af en ben weer een stapje dichterbij herstel.

Tot mijn grote opluchting constateer ik dat de ‘leg press’ nu wél vrij is, net was ie nog bezet. Ik sprint er bijna heen, hoe eerder ik klaar ben met mijn oefeningen, hoe sneller ik hier weg ben. Ik kom een beetje tot rust op de ‘leg press’. Het apparaat staat in een hoek en er zijn geen andere mensen in de buurt.

Voor de volgende oefening heb ik het ‘hoge steps’ bankje nodig, ik kijk rond en zie het bankje in de buurt van twee dames staan. Ze lijken het bankje niet te gebruiken, er ligt een handdoek, flesje water en een telefoon op. Weer krijg ik de neiging weg te lopen en iets anders te gaan doen, zodat ik de dames niet hoef te vragen of ze hun spullen eraf willen halen. Ik ben bang voor hun reactie. Straks heb ik het verkeerd gezien en waren ze wel met het bankje bezig. Ik onderdruk mijn vluchtimpuls, loop op de dames af en vraag vriendelijk of ik het bankje kan gebruiken. Uiteraard is dat geen enkel probleem en ik voel me opgelucht.

De laatste oefening is vol ‘exposure’, zoals dat zo mooi heet. Een elastiek om mijn enkels, in de schaatshouding gaan staan en dan zijwaarts stappen. Niet de meest charmante houding. Het ergste is dat dit op de fysio mat moet, in het gangpad. Aan twee kanten staan apparaten met mensen erop. Gelukkig niet veel mensen maar toch… Ik kom er achter dat ik de oefening het beste kan doen, door stug naar de grond te blijven kijken en te focussen. Ik voel ogen in mijn rug prikken. Maar liefst vier keer moet ik heen en weer. Het akelige gevoel bekeken te worden, zakt gelukkig iets.

Ter afsluiting mag ik een stukje wandelen op de loopband. Het voelt als een afgang, ik wil rennen, maar kan dat nog niet.” Iedereen zal vast denken dat ik een slechte conditie heb, als ik alleen maar wandel”, gaat er door mijn hoofd. Ik hou mezelf voor dat ik hier mijn eigen doelen heb, net als iedereen. Het is onwaarschijnlijk dat iemand überhaupt een mening heeft over wat ik daar uitvoer. Dat helpt een klein beetje. Ik zet de loopband op 6 km/uur, met een helling van 5%, zo loopt ik in 10 minuten wat onrust uit mijn hoofd.

Ik weet dat dit sportschooltraject erbij hoort, wil ik weer kunnen rennen. De fysio heeft me beloofd dat ik komende week op de crosstrainer mag. Dat motiveert me, de crosstrainer is de eerste stap naar het rennen én het weer opbouwen van mijn conditie.

Pas veel later bedenk ik mij dat de man, die mij bekend voor kwam, Gerald Joling (of zijn dubbelganger) was…

Het marathonavontuur

Afgelopen weekend was het dan eindelijk zover: De heuvellandmarathon stond op het programma voor zondag. Op 3 december 2018 was ik gestart met het 100-dagen programma van Sportrusten wat mij naar mijn tweede marathon zou leiden. Vol goede moed startte ik met het schema, om exact één maand later mijn enkelbanden in te scheuren. Ik raakte wat in paniek. Blijkbaar hoort een blessure ook bij de marathonvoorbereiding. Na twee weken rust en intensieve fysiotherapie mocht ik weer voorzichtig op het asfalt gaan rennen. Gelukkig ging dat zo goed dat ik mijn schema weer kon oppakken. Helaas kon ik geen heuveltraining meer doen in de duinen, dat zorgde voor een onzeker gevoel. Had ik wel genoeg getraind om de Heuvellandmarathon uit te kunnen lopen? Er was maar één manier om daar achter te komen: Starten op 17 maart in Vaals.

Op 16 maart werd ik opgehaald door ons #geefonskleur team van de Socialrun. Na een aantal uren kletsen en rijden kwamen aan in onze mooie boerderij, net over de grens in België. Spannend, want we zouden de rest van het team daar ontmoeten. Een team van 17 lopers en 5 ondersteuners. Tot mijn grote opluchting voelde ik “de klik”. Tijdens een kennismakingswandeling kletsten we met elkaar. Eigenlijk kende we elkaar al best goed, na de 4.000! appjes die we in de weken daarvoor met elkaar uitgewisseld hadden.

De energie in de groep voelde goed, ik voelde me op mijn gemak. Ik merkte dat de reis en het kennismaken met de groep mij zoveel energie gekost had dat ik kapot was. Ik trok me terug op mijn kamer om even een half uurtje bij te komen. Ik voelde dat de groep mij die ruimte gunde. Ik vond ergens ook dat ik mij niet moest aanstellen en ‘gewoon’ bij de groep moest gaan zitten. Ik had twijfels toen ik op mijn bedje lag. Als ik nu al zo kapot ben, hoe kan ik dan zondag een marathon gaan lopen? Waar ben ik mee bezig?

Ik werd zondagochtend wakker met het gevoel dat het goed zou komen. Het OT (ondersteuningsteam) had een geweldig ontbijt geregeld. Ik voelde me wat opgelaten door ervoor te kiezen mijn vertrouwde havermoutpap met banaan te maken. Ik weet dat ik daar goed op kan lopen. Het voelde ook wat ‘controlfreakerig’. Ik zal het maar ‘risicomijdend gedrag’ noemen…  Na het ontbijt maakte iedereen zich gereed om naar de start te vertrekken. Voor ik het door had stonden we in de rij voor het toilet bij de start om nog een laatste zenuwplasje te doen. Ik kletste wat met een teamlid en met andere deelnemers om mij heen. De dame voor mij ging voor het eerst een marathon lopen, ik wenste haar succes. Ik kon toen nog niet weten dat zij later in de marathon een belangrijke rol voor mij zou spelen.

De groepsfoto werd gemaakt en toen was daar ineens het startschot en we waren op weg! Ik merkte dat ik me goed voelde. Ik had best geslapen, de sfeer was goed en de benen voelde goed aan. Na één week rust was het toch spannend of ‘het goede gevoel’ er was. De eerste 10 km liep ik samen met een teamlid. Het was prettig om wat te kunnen kletsen en samen op te lopen. Ik vond het ook lastig, want zou ik niet te snel starten, omdat ik met hem mee wilde lopen. Zou ik hem niet ophouden? We hadden dan wel afgesproken dat een ieder zijn eigen weg zou gaan, maar toch?

Na weken van regen, was het parcours inderdaad flink modderig. We kwamen de eerste heuveltjes tegen. We kwamen de eerste afdalingen tegen. Ik was blij dat ik mijn alpine ervaring kon gebruiken: kleine snelle stapjes bergaf om zo min mogelijk uit te glijden. Ik was ook tevreden dat ik gekozen had voor mijn normale hardloopschoenen in plaats van de trailrunschoenen. We liepen achter in het veld, wat tot gevolg had dat de bezemwagen ons diverse keren achterop kwam, inhaalde, in de modder vast kwam te zitten en weer achterop reed en weer inhaalde. Ik ergerde me er eerst aan. Later kon ik dat laten gaan. Het was geen marathon voor een snelle tijd, het zou lopen zoals het ging. Ik ging er een ‘dagje uit’ van maken. Ik zou om mij heen te kijken en genieten van wat ik zag. Bij de eerste verzorgingspost dacht ik dat ik al begon te hallucineren: Zag ik nu echt een levensgrote groene M&M op en neer springen?

De zware stukken bergop, besloot ik na 16km wandelend te doen. Hardlopen ging op die momenten niet veel sneller en door te wandelen kon ik mijn hartslag toch wat lager houden. Tot mijn verassing voelde ik dat niet als falen. Ik vond mezelf eigenlijk wel verstandig. Ik was een ‘dagje uit’ en hoefde niet per se de zwaarste optie te kiezen. Opeens kwam daar de verzorgingspost op 21km in zicht. Ik had mezelf onderweg beloofd dat als het OT er nog zou zijn, ik om een powerknuffel zou vragen. Ik zag het OT, ik vroeg een knuffel en kreeg een enorme bereknuffel. Het toverde een lach op mijn gezicht en verder ging ik.

Een medeloper wist mij te vertellen dat er nu een enorm zware klim kwam. Ik geloof dat ik dat liever niet geweten had…. Ik pepte mezelf op dat ik gewoon mocht wandelen op het steile stuk. Dat hielp. De volgende post zou op 31km zijn, dat zou mijn nieuwe doel zijn. Mijn lijf voelde nog redelijk goed. Mijn benen zaten onder de modder. Mijn voeten deden behoorlijk pijn van het continu corrigeren op het onverharde parcours. Mijn enkel hield zich verbazingwekkend goed en mijn hoofd deed het ook nog. Verder ging het door de modder, vette wind tegen, hagelbuien in mijn gezicht. Op zware momenten probeerde ik om mij heen te kijken en mezelf op te peppen dat ik hoe dan ook aan het einde van de middag in Maastricht zou zijn. Op lichte momenten genoot ik van de zon op mijn gezicht en van de geweldige uitzichten onderweg.

Bij de post op 31km nam ik wederom een stukje banaan, een bekertje water en cola. Ik kletste even met een medeloper en bereidde mij mentaal voor op de Wolfskop, de laatste steile berg die op 33km aan bod kwam. Het plan was, rustig rennen tot de Wolfskop, dan de berg opwandelend nog een sportgelletje naar binnen slurpen en op naar de volgende post op 37,5 km.

Bovenop de berg gekomen, hing daar een spandoek “nog maar 9km bergaf….”. 9 km dat leek een overbrugbare afstand. De spieren begonnen te verkrampen, heuvelaf was meer vlak dan echt af, gestaag liep ik door. Mijn spieren waren eigenlijk wel blij met de afwisseling van ondergrond en hellingshoek. Bij de laatste post aangekomen was ik precies op tijd om even te schuilen voor een stortbui van een minuutje. Ik nam de tijd voor weer een banaan, water en cola. Nu nog de laatste 5km. Mijn spieren begonnen behoorlijk te protesteren. Ik liep door een snelstromend beekje over het pad. Het koude water was heerlijk voor mijn pijnlijke voeten én mijn schoenen werden er weer mooi schoon van.

Ik kreeg het heel erg zwaar en beloofde mijzelf dat ik bij km 39 weer een klein stukje mocht wandelen. Ik haalde km 39 en begon met wandelen en toen was daar ineens de dame van het toilet van vanmorgen. Zij haalde me over om het laatste stukje met haar en haar medelopers mee te lopen. We hadden het zwaar, maar door met elkaar op te lopen gingen de laatste kilometers toch voorbij. De verkramping in mijn spieren leek minder pijnlijk door het gezelschap. De atletiekbaan kwam in zicht. Daar was ook het OT weer: “kom op, je mag nog een ererondje en dan ben je er!”

Nu was ik echt aan het hallucineren. De levensgrote groene M&M liep ineens naast mij. Ik keek beter, het was de dame van het OT. Ze rende een stukje met mij mee, stopte net voor de finish met de woorden: “dit is jouw moment”. Ik finishte, ontving de knuffels van mijn teamleden en was blij dat ik even een poosje vastgehouden werd, zodat ik niet omviel. Ik kon niet meer. Ik had het gehaald!!!

Ongelofelijk, onwerkelijk en ontroerend.

Het was een prachtig marathonavontuur samen met een fantastische groep mensen.

Ontspoorde trein

Afgelopen donderdag, begon ik aan mijn rondje hardlopen in de duinen. Terwijl ik mijn hardloophorloge vast naar de GPS wilde laten zoeken, ging ik hard door mijn enkel. Ik viel op de grond en zat daar misselijk van pijn en schrik. Gelukkig was ik nog niet te ver van mijn auto. Snel inventariseerde ik de schade en maakte een plan. Ik was op een doorgaand wandelpad, dus er zouden vast mensen langskomen, die me naar mijn auto konden helpen. Ik trilde en had het koud, van de schrik en van de pijn. Ik stond op en liep een paar stappen, het deed gruwelijk zeer, maar ik kon er nog op lopen. Ik besloot naar mijn auto te lopen. Toen ik vlak bij mijn auto was, zag ik twee andere hardlopers met een kinderwagen. De man keek mij even kort aan terwijl ik naar mijn auto strompelde. Hij zei niets. Eigenlijk had ik gehoopt dat hij even zou vragen “gaat het?”. Ik had iemand nodig die mij medeleven toonde.

Ik trok mijn warme donsjas aan, ging in de auto zitten en overdacht mijn opties. Als ik te lang stil zou blijven zitten zou mijn enkel alleen maar dikker worden en meer pijn gaan doen. Ik besloot een vriendin te bellen die een kwartiertje rijden vanaf de duiningang woont. Dan kon ik daar mooi even koelen en pijnstillers slikken, voordat ik naar huis reed. Helaas nam zij de telefoon niet op (het was een gewone werkdag). Ik besloot dan toch maar mijn tanden op elkaar te zetten en naar huis te rijden. Gedurende een half uur, verbeet ik de pijn en moedigde ik mijzelf aan dat thuis een Icepack en pijnstillers wachtte. Thuis zou ik mezelf ook kunnen toestaan te gaan huilen van de pijn en frustratie. Als ik nu medelijden met mezelf zou tonen, zou ik niet thuiskomen. Die middag zat ik op de bank met mijn pootje omhoog te koelen en te wachten tot de pijnstillers eindelijk gingen werken. Ik maakte me zorgen, de pijn was niet eerder in mijn ‘zwakke-enkelscarrière’ zo hevig. Ik besloot de volgende dag langs de fysio te gaan om te kijken wat de schade was. In de avond werd de pijn eindelijk wat minder.

De volgende ochtend besloot ik tot een experiment. Ik zou deze keer wél om hulp vragen. Ik kon best zelf met de auto of de fiets naar de fysio, maar dat zou behoorlijk pijn doen. Ik wist dat mijn buurvrouw mij zeker zou willen rijden, als ze kon. En ze kon, ze bracht mij naar de fysio. Mijn enkel werd getaped. Thuisgekomen appte een vriendin dat ze die middag wilde komen, zodat ik even kon klagen. Ze bracht wat lekkers voor bij de koffie mee en ik klaagde er op los. Eigenlijk was ik best tevreden met mijzelf. Ik had hulp gevraagd en ik had een aanbod om even verzorgd te worden geaccepteerd. Experiment geslaagd.

Ik werd wakker, de volgende dag, toen ontspoorde mijn trein, totaal onverwacht. De locomotief was ontspoord en had alle wagons uit balans gebracht. De locomotief was tezamen met de wagons van het talud gestuiterd. Ik was mijn houvast kwijt. De houvast om, om de dag, een rondje hard te lopen. De houvast om zo een dagdeel onder te pannen te zijn: het rijden naar de duinen, een rondje rennen, het terugrijden en badderen vult toch zeker een halve dag. De houvast om toch af en toe een voldaan gevoel te ervaren na een training. Ik raak in paniek. De onrust in mijn hoofd en lijf neemt toe. Het lukt niet om mij ergens op te concentreren. TV kijken houdt mijn aandacht niet vast. Een boek lezen lukt niet langer dan een kwartiertje. Ik speel veel spelletjes op mijn telefoon. Het lukt niet om mezelf te kalmeren, door naar muziek te luisteren of door een ademhalingsoefening te doen. Ik speel nog meer spelletjes. Mijn lijf protesteert. Mijn polsen trekken het vasthouden van de telefoon niet. Ik vloek, ben boos op mijn lijf. Ik kijk weer even TV. Ik leg mijn boek op een kussen, zodat ik het niet vast hoef te houden. Ik lees een kwartier en speel toch weer een spelletje op mijn telefoon en lees daarna weer een kwartiertje. Ik ben moe van mijn onrust.

Ik kan weer een stukje lopen, dus besluit boodschappen te doen. Ik haal te veel lekkers in huis en krijg een eetbui. Een volle buik is helemaal geen fijn gevoel. Het ontregeld mijn darmen. Ik weet ook dat het niet helpt. Het lekkers smaakt eigenlijk helemaal niet zo lekker als ik hoopte. Het eten vult tijd, vult mijn buik en geeft heel kortstondig een moment van ‘verzorging/warmte’.  Ik voel schaamte. Schaamte dat het me niet lukt, mijzelf te beheersen. Ik voel me schuldig. Schuldig dat ik mijn lijf verpest.

Ik vraag me af of het wel zo nodig was de buurvrouw te vragen om mij twee dagen geleden naar de fysio te rijden. Ik kan nu inmiddels al weer lopen. Ik vind mezelf een aansteller. Ik had gewoon zelf nog even door moeten bijten. Het is raar om twee dagen geleden nauwelijks te kunnen lopen en nu alweer een kwartiertje te kunnen wandelen. Ik probeer aardig te zijn voor mijzelf. Ik probeer mezelf te overtuigen dat ik echt niet kon lopen twee dagen geleden. Dat het écht ok was hulp te vragen, ook al zou ik het alleen ook hebben kunnen redden. Morgen is er weer een nieuwe dag, ik probeer te slapen en word moe en onrustig wakker. Weer een dag om te vullen. Ik ga klussen bij een vriendin. Zittend op de vloer kan ik prima de plinten verven. Het is fijn iets te kunnen doen en haar te kunnen helpen. Het houdt mij bezig. Aan het eind van de middag ga ik weer naar huis. Ik ben weer onrustig en maak een omweg naar de supermarkt. Ik eet weer een pak koekjes leeg. Ik voel me vol en schaam me weer.

Mijn trein is ontspoord. Ik worstel om hem weer op de rails te krijgen. Ik baal ervan. Mijn trein was net weer op het goede spoor. Mijn trein ging langzaam, maar gestaag vooruit. Af en toe was er een wagon uit balans, maar de snelheid van de locomotief en de andere wagons hielden die ene wiebelende wagon op het spoor. Ik zie mijn therapeut. Ik beken haar (voor het eerst) dat ik eetbuien heb en ik me daarvoor schaam. Gelukkig hoeven we het daar niet over te hebben. We weten beiden dat het een symptoom is van onrust. Van onderliggende problemen. Ik ben goed in ‘noodsituaties’, ik blijf koel en kan handelen en doen wat nodig is om te overleven.

Mijn crisis begint eigenlijk nu pas.

Ik kan het nauwelijks geloven, ik heb een marathon uitgelopen!!

Het is dag 286 (28 mei 2018) en ik zit tevreden op de bank, met mijn “Leiden Marathon 2018 T-shirt” aan en mijn medaille trots om mijn nek. Ik kijk tevreden terug op mijn marathonproces:

Het was zomer 2017 en ik voelde mij lichamelijk en geestelijk slecht. Ik lijd al ruim 20 jaar aan chronische depressie. Ik herlas het boek “De Verademing” van Koen en Bram. Deze keer zag ik in dat een verbeterde ademhaling wellicht de sleutel was om mij lichamelijk beter te voelen. Ook liep ik al enige tijd hard, maar ik miste de structuur en vooruitgang. Ik besloot een sporttest te doen bij Nico in Amsterdam. Daar kwam uit dat ik zo’n 20 keer per minuut adem haalde, terwijl een keer of 6 normaal is, conditioneel was ik in orde. Ik besloot dat ik in 2018 een marathon zou gaan lopen.

Het eerste doel was de 10 kilometer binnen de 60 minuten te lopen (ik deed er op dat moment zo’n 70 minuten over). Ik schafte het 100-dagen programma aan en plakte de kalender op mijn koelkast. Ik liep hard en ik haalde adem, soms door een rietje zittend op de bank. Dat hielp. Na ongeveer 65 dagen begon ik mij fysiek iets beter te voelen, de energiesystemen kwamen beter in balans en ik liep de 10-km na 100 dagen in 58 minuten. Nu durfde ik het aan om mijn marathon te plannen op 27 mei 2018 in Leiden.

Ik had nog wel een tussenstap nodig. Dat werd de Halve van Schoorl. Het ware zware Halve Marathontrainingen en een oude beenblessure kwam helaas weer terug. Na overleg met Nico, paste ik het programma wat aan, nam massages en deed oefeningen. Op dag 171 liep ik de halve van Schoorl, pijnvrij en in een fantastische tijd van 2 uur 5! Het leek wel of het vanzelf ging, tempo constant, hartslag keurig op niveau. De laatste 2 kilometers heb ik nog flink aangezet, anders zou ik niet eens moe over de finish gekomen zijn……

Drie dagen later, liep ik mijn eerste rondje vogels weer. Ik had geen spierpijn, de masseur was verbaasd over de goede staat van mijn benen en rug. De week erna pakte ik het trainingsprogramma voor de marathon op. Langere lopen (heerlijk!) en op een lagere hartslag (ook fijn). Ik paste het trainingsprogramma iets aan, omdat ik toch bang was voor de oude beenblessure. In plaats van 4 keer per week, ging ik om de dag hardlopen. Zo kon ik in 105 dagen het volledige trainingsprogramma afwerken.

In overleg met mijn psychiater ging ik weer medicatie slikken tegen de depressie. De zogenaamde MAO-remmers. Ik kon nergens informatie vinden of dit medicijn effect zou hebben op mijn hartslag. Dat wilde ik enorm graag weten, zodat ik daar rekening mee kon houden in mijn trainingsprogramma. Ik besloot Bram Bakker (hardlopende psychiater) te mailen om te vragen of hij wist of hier informatie over bekend is. Tot mijn verassing mailde hij mij terug, hij had ook geen verdere informatie, maar hij dacht ook niet dat het effect zou hebben op mijn hartslag. Dus ik ging het experiment aan (n=1) en begon met slikken. Ja, er waren bijwerkingen, voornamelijk een lage bloeddruk, maar het effect op hartslag leek verwaarloosbaar. Het enige waar ik bij het hardlopen last van heb, is dat het opstarten wat moeilijker gaat, vaker ‘pap-in-de-benen’, maar dit trekt meestal weg. Opgelucht dat de medicatie weinig effect leek te hebben, trainde ik verder.

Op dag 239 ging ik tijdens een training hard door mijn enkel. Ik vreesde voor mijn marathon (dag 285). Ik zat 5 dagen lang, zo veel mogelijk met mijn been omhoog, ijsde 4 tot 5 keer per dag mijn enkel (en nam yoghurtijs voor in mijn buik, herstel van binnenuit…), deed oefeningen voor mijn enkel en extra ademhalingsoefeningen. 6 dagen later, liep ik mijn eerste hardlooprondje met brace en dat ging goed. Zo goed, dat ik de week daarna, zonder brace, mijn schema weer kon oppakken.

Ik ging me realiseren dat ik de start van de marathon ging halen! Toen kwam de kwestie van ‘eten onderweg’; van gelletjes en sportdrank word ik wat misselijk, dus ik ging experimenteren met een prakje van dadels, banaan en wat zout. Daar zou ik de marathon op gaan lopen samen met een flesje bouillon voor het nodige zout. Ook hield ik rekening met een zeer warme marathondag. Ik ging hardlopen op de warmste dagen op de warmste tijden en als het wat koeler was, trok ik een extra trui aan. Zo hoopte ik mezelf goed te kunnen voorbereiden tijdens een warme marathondag. 3 weken voor de start van de marathon, moest ik mijn medicatie ophogen. In overleg met de psychiater, besloten we te wachten met ophogen tot na de marathon. Opgelucht trainde ik verder.

Dag 285 brak aan. M-day! Ik was een uurtje te vroeg in de Pieterskerk. Het was er druk, heel veel halve marathonlopers. Ik zocht een rustig hoekje en was stikzenuwachtig. Ik zat daar een tijdje en deed wat ademhalingsoefeningen, ik werd rustiger. De halve marathonlopers waren vertrokken naar de start en ik ging me eens rustig omkleden en mijn tas afgeven. Ik vertrok naar de start met nog een flesje water. De voorspellingen waren uitgekomen, het was warm! Dat betekende, vasthouden aan het plan “lopen op marathonhartslag” en het tempo daar een gevolg van laten zijn. Doel 3: de marathon binnen 4 uur 30 lopen, moest ik loslaten.

Het startschot klonk, een minuut of 7 later ging ik onder het startdoek door. Ik slikte een brok in mijn keel weg en voelde ook wat traantjes opkomen. Doel 1: het ‘heel’ aan de start van een marathon staan, was gelukt! Ik pakte mijn ‘lage marathonhartslag’ op, om die de eerste 14 kilometer niet meer los te laten. Ik moest soms wat inhouden, als ik merkte dat de hartslag omhoog ging. Mijn mantra was: “de marathon is 30 km inhouden en 12 km volhouden”; ik zat nu duidelijk in de “inhoudfase”. De tweede 14 km liet ik mijn marathonhartslag oplopen, tot ‘hoge marathonhartslag’. Dit liep wat lekkerder, ik hoefde niet zoveel meer in te houden. Ik dronk bij elke post water en mikte ook flink wat water over mijn hoofd en lijf. Ik liep onder elke douche door om koel te blijven. Ik bleef op mijn ademhaling letten, langer uitademen, dan inademen.

De derde 14 km brak aan. Ik had mijn hoofd wijs gemaakt dat het slechts een kwestie was van 3 trainingen achter elkaar lopen…. Ik mocht de marathonhartslag loslaten en op gevoel verder gaan. Ik bleef maar mensen inhalen en liep stug door. Rond km 32 begonnen mijn beide benen behoorlijk te protesteren, spierpijn! Gelukkig geen kramp, maar het tempo opvoeren lukte niet, hierdoor bleef de hartslag mooi laag. Ik concentreerde me op mijn ademhaling en stuurde in gedachten extra zuurstof naar mijn benen (alle beetjes helpen 😉 ).

Rond km 35 was daar ineens een vriendin van mij op de fiets. Zij kon een km of 4 meefietsen, voor zij van het parcours moest. Dat hielp. Precies de zwaarste km’s steunde zij mij. Rond km 39 voelde ik de traantjes weer opkomen. Ik ging het halen! Maar wat deden mijn benen pijn! Het mantra kwam weer terug, ik zat duidelijk in de “volhoudfase”. Het publiek werd talrijker, de aanmoedigingen klonken en daar was de finish! Doel 2: “de marathon uitlopen” was gelukt.

Ik ben tevreden met mijn eindtijd (4 uur 56), net onder de 5 uur.

Ik kan het nauwelijks geloven, ik heb echt een MARATHON uitgelopen!

Leiden 2018

Home