Wittebroodsweken

Eigenlijk ben ik best trots op mezelf hoe ik de eerste weken na mijn enkeloperatie ben doorgekomen. De pijn in mijn enkel viel mee en ik besloot dan ook mijn pijnstillers af te bouwen. Onaangenaam verrast was ik, toen ik een dag later veel pijn in mijn polsen en armen ervaarde. Ik had er van tevoren rekening mee gehouden dat mijn, wat krakkemikkige, lijf zou gaan protesteren. Sterker nog, ik had voordat ik geopereerd werd mijn lijf voorbereid op de belasting van krukken. Ik had echter niet verwacht dat de pijnstillers zijn werk zo goed zouden doen, dat ze pijn in mijn armen zouden maskeren. Ik besloot weer terug te gaan naar de maximale dosis, ik hoefde niet onnodig te lijden had ik trots besloten. De pijn in mijn handen verdween wat naar de achtergrond. Mijn depressie kwam helaas langzaam maar zeker weer naar de voorgrond. De wittebroodsweken bleken voorbij…

Ik sprak vorige week mijn therapeut over mijn stemmingsdaling. Mijn therapeut gaf aan dat zij vond dat ze mij niet goed genoeg had voorbereid op de stemmingsomslag die onvermijdelijk zou volgen. Ik vond dat dat haar verantwoordelijkheid niet was. Bovendien hadden we er uitgebreid bij stil gestaan en alternatieven bedacht. Ik vond (en vind) niet dat zij anders had moeten handelen. Zij vond dat wel. Zo ontstond er een gesprek, zij gaf mij de ruimte om door te vragen. Ik vroeg haar of ze zich schuldig of verantwoordelijk voelde. Ze gaf aan dat inderdaad zo was. Ik vond dat vreselijk om te horen, het is mijn probleem en ik wil niet dat zij zich daardoor rot voelt. Ze gaf aan dat gevoelens er nu eenmaal bij horen in het contact. Ook als dat minder prettige gevoelens zijn. Ik voelde me schuldig dat zij ‘last’ ervaarde. Ze gaf me duidelijk aan dat ze het kon verdragen. Ze ervaarde last, maar ze kon ermee omgaan. Ik hoefde haar ‘last’ niet op mijn bordje te nemen. Ik kon haar ‘last’ niet voorkomen. Haar antwoord zorgde voor een enorme huilbui bij mij. Ik kon gewoonweg niet geloven dat zij zo volhardend haar verantwoordelijkheid in mijn lijden nam. Ze kon mijn stemming niet veranderen, ik voelde me wél gesteund en ik was oprecht ontroerd.

Diezelfde avond zat ik thuis op de bank. Ik voelde mijn stemming scherp dalen tot ver onder het diepvriespunt. Mijn doodswens kwam ineens in volle hevigheid terug. Ik schrok er zelfs een beetje van. Het is al een aantal maanden geleden dat ik zó sterk aan de dood dacht. Het is een tijdje best goed gegaan. Was dit dan het punt, waarop ik toch zou besluiten verder te willen gaan met het euthanasietraject?
Zoals ik de afgelopen jaren vaak gedaan heb, parkeerde ik ook deze keer mijn wens. Ik sprak met mezelf af dat ik mijn doodswens er mocht laten zijn, en dat als deze over een maandje nog zo sterk zou zijn ik er aandacht aan mocht geven. Ik overdacht de afgelopen dagen. Ik had veel op mijn krukken gelopen, want ik had best veel afspraken. Ik had ook geëxperimenteerd met hulp vragen, achteraf vond ik dat ik me als een prinses had gedragen. Ik had me laten rijden, terwijl ik het ook zelf gekund had.

Die week had ik een vriendin gevraagd mij te komen ophalen en thuis te brengen, omdat ik de afstand naar de bushalte te ver vond. Ik voelde mij schuldig. Ik had haar immers twintig minuten heen en terug laten rijden, alleen om mij op te halen, voor mijn gemak. Ik appte haar. Ze gaf me de steun en bevestiging die ik op dat moment nodig had. Ze schreef me: “Je hebt me niet láten rijden, ik heb je met alle liefde aangeboden je te op te halen als dat voor jou makkelijker zou zijn. Ik deed het graag voor je”.

Ik ging die avond slapen met een zwaar gemoed, ik nam een slaappil in. Tot mijn grote verassing voelde ik mij de volgende ochtend een stuk beter. Dit was mij nog nooit overkomen! In een paar uur van zeer depressief naar redelijk. Blijkbaar kan dat, ook bij mij… Het was een opluchting. Met frisse tegenzin ging ik naar de afspraken van die dag.

’s Avonds merkte ik een vreemd gevoel op in mijn handen. Ik werd bang. Ik had weinig kracht meer in mijn handen. Ik kon vrijwel niets meer vasthouden. Ook de coördinatie was verstoord. Het typen op de laptop ging moeizaam, het aansturen van mijn vingers moest ik bijna bewust doen. Een gevoel van paniek overviel me. Wat als dit nog erger werd? Ik raadpleegde een vriendin van me, die behalve vriendin ook arts is. Samen kwamen we tot de conclusie dat dit overbelastingsklachten waren. Dat ik hier niets aan kon doen, behalve heel veel rusten.

Ik ben bang en enorm gefrustreerd. Ik kon al geen wandelingetjes meer maken, nu kon ik ook mijn handen nauwelijks meer gebruiken. Ik kon mijn hoofd niet meer leeg schrijven. De afgelopen dagen lang keek ik heel veel Netflix en legde ik mijn boek op een kussen om te lezen. Ik zette mezelf op een dieet van 30 minuten op de laptop/telefoon per dag, ik bestelde okselkrukken bij de thuiszorgwinkel en ik zegde niet noodzakelijke afspraken af.

Mijn lijf was onrustig, kriebelde en wilde in beweging komen. Het was en is ontzettend lastig om mee om te gaan. Ik vind het moeilijk om met tegenslagen om te gaan. Soms denk ik, na zorgvuldige planning, een weg gevonden te hebben en dan blijkt er toch onverwacht een wegversperring te staan. Ik wil die wegversperring negeren er dwars doorheen gaan. Kiezen voor de omweg, het is niet mijn eerste keuze, wellicht wel een betere…

Robotbeen

Sinds afgelopen dinsdag ben ik in het bezit van een indrukwekkende brace om mijn onderbeen. Het ziet er wat robotachtig uit. Robots zijn geprogrammeerd om te doen wat ze moeten doen, volgens vaste patronen. Ik besluit dat ik de komende weken anders wil om gaan met mijn vaste patronen.

Ik had mijn buurvrouw gevraagd of zij mij, na mijn enkeloperatie, aan het einde van de middag uit het ziekenhuis wilde ophalen. Dat wilde zij wel én ze bood me meteen aan, mij vroeg in de ochtend (6:45 uur!) ook weg te brengen. Ikzelf had de buurvrouw zo min mogelijk ‘last’ willen bezorgen en was van plan gewoon zelf met de bus en metro naar het ziekenhuis te gaan. Op deze manier zou ik het mezelf onnodig lastig maken, dus ik besloot haar aanbod om mij die ochtend te brengen te accepteren.

Eenmaal op de operatiekamer aangekomen, begonnen de voorbereidingen voor de ruggenprik. De verpleegkundige vroeg mij: “wat doe je voor werk?”. De robot in mij activeerde het gebruikelijke gedachtepatroon: ‘wat zou ze willen horen?’. Ik besloot de robot uit te zetten. Ik schaamde me, ik werk al een tijdje niet meer. Ik wilde niet liegen. Ik wilde ook niet zeggen: “vroeger werkte ik als accountant”. Ik besloot te zeggen: “ik werk als ervaringsdeskundige depressie”. Ik vond dat ik vrijwilligerswerk wel kon classificeren als werk. Het voelde onwennig en awkward. Ik schoof zelf over op de operatietafel en kreeg mijn prik.

Tijdens de operatie daalde mijn bloeddruk, hier was ik voor gewaarschuwd. Er was mij verzekerd dat ik gewoon kon zeggen dat ik me niet lekker voelde worden. “De meetapparatuur loopt altijd wat achter op de werkelijkheid”, had de anesthesist gezegd. De robot in mij registreerde dat mijn bloeddruk daalde en activeerde het programma: “stel je niet aan”. Ik keek of de anesthesist naast me zat, maar zag hem niet. Natuurlijk was hij gewoon in de ruimte en hij had ook gezegd dat ik hem mocht roepen. Ik riep niet, ik wachtte af. De anesthesist kwam na de volgende bloeddrukmeting naar me toe en vroeg me hoe het ging. De robot in mij activeerde het programma: “het gaat wel”. Ik besloot de robot te overrulen en vertelde de anesthesist dat ik me niet lekker voelde en wat misselijk. De anesthesist nam mijn klacht serieus en leek blij dat hij mij kon helpen met extra medicatie. Ik veranderde het programma in de robot en verving “het gaat wel” door “zeg wat je voelt”.

Nadat de chirurgen mijn enkel gerepareerd hadden, moest ik onvermijdelijk hulp aanvaarden. Het was door de verdoving onmogelijk om zelf van de operatietafel naar het bed over te schuiven. 3 paar handen draaide mij op mijn zij, schoven een mat onder mij en schoven mij over in het bedje. Het voelde veilig en zorgzaam.

Eenmaal terug op de kamer was het afwachten tot alle lichaamsfuncties weer terugkwamen, voordat ik naar huis mocht. De verpleegkundige kwam me regelmatig controleren, bood me drinken en eten aan. Toen kwam het moment dat ik moest plassen. Een heugelijk moment, want dat was het laatste wat ik moest doen om naar huis te kunnen. Echter, mijn krukken stonden in de hoek en ik lag bed… De robot in mij activeerde het programma: “wacht af”. Ik voelde me wat bezwaard en hoefde nog niet heel nodig, maar ik besloot wederom de robot te overrulen en de verpleegkundige zelf te bellen. Met een glimlach op haar gezicht hielp de verpleegkundige mij en merkte op dat het wellicht prettig voor mij zou zijn om vast dat operatiejasje te verwisselen voor mijn eigen T-shirt. Ik voelde me opgelucht. Ik veranderde het programma: “wacht af”, in “vraag wanneer je dat wilt”.

Die middag haalde mijn buren me op, ik voelde me enigszins bezwaard dat we ook nog langs de apotheek moesten voor medicatie. Ik vond al dat ik veel van ze gevraagd had, maar er was geen andere optie. Ik had de trombosespuitjes en pijnstillers diezelfde avond nog nodig. Dus ik zette me over mijn bezwaren heen en deelde mee, dat we nog even langs de apotheek moesten. Mijn buurvrouw stapte uit bij de apotheek, regelde de medicatie en vertelde mij dat ze slechts 1 spuitje op voorraad hadden, maar dat de apotheek de rest morgen bij mij thuis zou afleveren. Het voelde heerlijk dat zij dat voor mij geregeld had.

De volgende dag kwam de buurvrouw even een kopje thee doen om te vragen hoe ik erbij zat. Ik vertelde dat ik de dag daarna even naar de huisarts wilde om het drukverband onder mijn brace vandaan te laten halen en de wondjes te laten controleren. Op haar gebruikelijke nuchtere wijze vroeg ze me hoe ik gedacht had daar te komen. Mijn robot activeerde het programma: “zelf doen”. Ik vertelde haar dat ik gewoon met de bus zou gaan. Het krukkenlopen ging me best goed af. Ze lachte me nog net niet uit, maar zei dat ze mij natuurlijk niet met de bus zou laten gaan en me ging brengen. Het voelde alsof ik al veel te veel ‘credits’ gebruikt had. Ik herschreef het programma “zelf doen”, in “niet zelf doen als het niet hoeft”.

In de week voor de operatie had ik al wat oude flexibele broeken met wijden pijpen opgezocht. Deze bleken echter alleen te passen als ik de zijkant open knipte. ‘Ach, ik ga er voorlopig toch niet ver op uit’, dacht ik. Een vriendin gaf me de tip om een broek met ritsen tot aan de heup te regelen. Ze had er nog één liggen die ik wel mocht lenen. Ze kwam er zelfs speciaal de volgende dag voor terug. Wederom voelde ik me bezwaard. Het robotprogramma “zelf doen” was weer automatisch opgestart. Met haar tip zou ik gewoon even googlen en een soortgelijke broek op het wereldwijdeweb bestellen en een paar dagen wachten.

Vandaag heb ik ‘haar’ broek aan. Hij zit heerlijk, ziet er beter uit dan die flubberbroeken én het aantrekken is een verademing. Ik herschreef het programma: “zelf doen”, in “aanbod aannemen mag, ook al kan je het zelf”.

Ik merk dat ik het fijn vind, even de afleiding van een bezoeker te hebben. Het is fijn om whatsappjes en kaartjes, van de postduif, te krijgen. De stilte, de vermoeidheid, de misselijkheid en het gebrek aan mobiliteit zijn best lastig te verdragen. Ergens op de achtergrond draait het programma: “stel je niet aan” op volle toeren. Normaal ben ik ook veel alleen (met mijn depressie) thuis op de bank voor de buis. Volgens mijn rationele ik is er geen verschil met de situatie nu, dus waarom zou ik nu wel aan mensen vragen of ze me komen oppeppen?

Wederom besluit ik een regel toe te voegen aan mijn robotprogramma:
“Experimenteer met vragen en voel wat de experimenten opleveren”

De rondleiding

Vorige week kreeg ik tijdens therapie een opdracht: De therapeut zou mij door de gymzaal leiden aan de hand van een door haar vooraf getekende plattegrond. De bedoeling was dat ik mijn ogen dicht zou doen en mij door haar stem liet leiden. Aan het eind van de rondleiding zou ik tekenen wat ik dacht gelopen te hebben. Er waren eigenlijk geen regels. Ik mocht haar vragen stellen, ik mocht mijn ogen tussendoor open doen. De opdracht ging niet om het zo goed mogelijk tekenen van de plattegrond, maar het ging om het voelen wat ik voelde, wanneer ik het voelde.

Ik nam de zaal nog eens goed in mij op, ging op de beginpositie staan en deed mijn ogen dicht. Ik luisterde naar haar stem en begon te lopen. Ze liet me van richting veranderen en ineens kwam haar stem uit een richting die ik niet had verwacht. Ik vroeg me hardop af of ik mocht vragen of ze van plaats veranderd was. De therapeut herhaalde de voorwaarde: “je mag vragen wat je wil”. Ik vroeg haar of ze van plaats veranderd was. Haar antwoord was: “nee”. Ik was in verwarring, want ik was dus blijkbaar niet waar ik dacht dat ik was. Ze liet me verder lopen, ik had mijn ogen nog steeds dicht. Ik dacht dat ik te dicht in de buurt van de muur kwam en strekte mijn armen voor me uit om niet tegen de muur te lopen, mijn stapjes werden steeds kleiner. Ik voelde me een idioot.

Ik bedacht me: “ik kan haar vertrouwen, ze laat me heus niet tegen die muur lopen”. Ik liep aarzelend verder, nog steeds met mijn ogen dicht.

Mijn verwarring nam toe en ik besloot nog een vraag te stellen: “waar ben ik?”, vroeg ik haar. Ze zei me dat ik vlak bij de deur van het materiaalhok was en tegenover het whiteboard. Ze liet me weer verder lopen, ik was overtuigd dat ik tegen de muur zou knallen. Ik vroeg nogmaals waar ik was. Weer kreeg ik een antwoord. Weer was ik nog steeds in de war. Want het klopte niet met mijn gevoel. Ik durfde niet nóg een keer te vragen waar ik was. Ik vond ook dat ik mijn ogen niet open mocht doen om mijzelf gerust te stellen. Ik moest op haar vertrouwen vond ik. Ze liet me weer verder lopen en liet me weer een kwartslag draaien. Ik kreeg nu een gevoel waar ik zou kunnen zijn. Volgens mij was ik vlak bij de basketbalring aan de overkant. Ik deed mijn ogen open en checkte waar ik stond. Ik bleek te staan waar ik dat verwacht had.

Ik bedacht me meteen: “waarom moest je nou kijken? het klopte waar je was, je hebt voor niets een ‘credit’ gebruikt! Je hebt gesmokkeld door je ogen open te doen”. Ik voelde een traantje opkomen, ik vermande me en volgde haar aanwijzingen weer op. Tot ze me uiteindelijk liet stoppen en de oefening voorbij was.

Het was tijd om mijn plattegrond te tekenen. Ik voelde de tranen opkomen. Ik wist alleen zeker waar ik begonnen was, waar ik bij de basket was en waar ik geëindigd was. Ik kon de lijntjes tussen die punten niet verbinden. Het liefst had ik mijn pen neergelegd na het zetten van drie kruisjes. Ik trok toch wat lijnen, omdat ik vond dat ik toch iets op papier moest zetten, al was ik er zeker van dat het niet “goed” was.  

Ineens kon ik de tranen niet meer tegenhouden. Ik huilde van frustratie.
Frustratie, omdat ik mezelf zo tegenwerk.
Frustratie, omdat ik schrok van de heftigheid van mijn reactie.
Frustratie, omdat ik schrok van mijn verwarring
Frustratie, omdat ik niet eens een ‘niet-resultaat-gerichte’ opdracht kon volgen.

De opdracht was: doen waar je je comfortabel bij voelt. Ik had de hele rondleiding met mijn ogen open ‘mogen’ doen. Ik had duizenden vragen mogen stellen om mezelf gerust te stellen. Voor mij had dat gevoeld als vals spelen. Ik moest weer zo nodig streng voor mijzelf zijn.
Ik kreeg complimenten, dat ik wél twee keer gevraagd had waar ik was, dat ik wél mijn ogen open gedaan had. Ik probeerde de complimenten aan te nemen. Het lukte maar deels.

Mijn therapeut legde mij uit dat ik mijn emoties niet hóef te onderdrukken, maar dat ik ze mag laten gaan. Als de emotie ‘overdreven’ is voor het moment, mag ik nog steeds voelen wat ik voel en aangeven waar ik behoefte aan heb. Ook al vind mijn hoofd dat ik me niet zo moet aanstellen.

Ze zegt dat ik beter in het bijzijn van de therapeut (of vrienden) mijn emotie kan tonen, dan dat ik later op de dag weer depressief thuis zit. Nu tonen, leidt tot korte en heftige emotie. Onderdrukken zou leiden tot langdurige malaise.

Tussentijds stil staan bij wat ik voel.
Tussentijds emoties de ruimte te geven.
Voelt raar en onwennig.

Verdwalen op weg naar het paradijs

De laatste tijd lijk ik steeds weer te verdwalen. Ik verdwaal in een wirwar van gedachtenstromen. Gedachtenstromen die niet willen stoppen, ook al doe ik zo mijn best om ze in rustiger vaarwater te krijgen. De gedachtenstromen gaan door mijn hoofd, terwijl de elektrische schokken door mijn lijf gaan. Dit maakt het vrijwel onmogelijk om te slapen. Ik vraag me af hoe andere mensen dit doen:  ‘gewoon’ gaan slapen. Ik vraag me af hoe ik dat zelf eigenlijk doe, die nachten dat het wel ineens lukt te vertrekken naar het paradijs. Het paradijs van de gedachtenleegte.

Ook overdag blijft die stroom maar stromen, vooral als ik even niets doe. De stromen kabbelen rustig voort als ik wél bezig ben. Ik hoef er niet per se hele einden voor te rennen. Suf achter de TV hangen, op mijn telefoon klooien, schrijven of een maaltijd bereiden volgens een recept, is ook genoeg. Ik vraag me af hoe ik die woeste wildwaterstromen wat rustiger kan krijgen. Ik vraag me af of de woeste wateren komen, doordat ik weer intensief met mijzelf aan de slag ben.

Het is niet zozeer dat ik meer uren therapie volg. Wel heb ik het schrijven aan mijn boek weer opgepakt. Het uitwerken van interviews van naasten en professionals is soms heftig, soms prachtig en alles daar tussenin. Ik lees ook veel, met name over schematherapie, dat geeft mij nog regelmatig nieuwe inzichten. In tegenstelling tot vroeger, neem ik nu de tijd om de verworven inzichten op mij te laten inwerken. Ik sta bewust stil en geef ruimte aan mijn gedachten en probeer de gevoelens die bij die gedachten horen te voelen en te plaatsten.

Ik merk het nu op als een gebeurtenis in het heden, overweldigende emoties triggert. De heftigheid van de emotie is een reactie op gebeurtenissen uit het verleden. Het triggert ‘oude pijn’. Ik probeer die emotie ruimte te geven en niet weg te drukken, zoals ik vroeger deed. Ik probeer bewust te voelen wat ik voel. Als ik zelf vind dat ik overdreven reageer, op een situatie in het nu, parkeer ik de ratio en voel ik wat ik voel. Ik heb de hoop dat ik mij hierdoor stabieler en uiteindelijk beter ga voelen. Ik heb de hoop dat ik ooit niet meer overvallen word door ‘oude pijn’, maar dat ik alleen de emotie voel die hoort bij het moment. Ik heb niet de illusie dat ik nooit meer pijn zal voelen.

Ergens streef ik wel naar een ‘neutrale’ toestand. Het lijkt me heerlijk om niet steeds die gedachtenstromen door mijn hoofd te voelen gaan. Het lijkt me heerlijk om niet steeds in gesprek te zijn met mijzelf. Het lijkt me heerlijk om niet die ellelange discussies met mezelf te hoeven voeren.

Ik besef ook dat ‘neutraal’ niet bestaat. ‘Neutraal’, is niets voelen en staat gelijk aan een depressie. Als de depressie maar diep genoeg is, valt al het gevoel weg. Wat overblijft is een eindeloze leegte. De eindeloze diepte van eenzaamheid. De continue wanhoop. Wat ontbreekt zijn dan de heftige emotionele stromingen. Het is diep, maar stabiel vaarwater. Het mist wel de lichtheid van het spelen in de golven in de zon.

Ik heb het gevoel dat ik tegenwoordig veel ‘goed’ doe en juist in deze tijden komt de reactie dan ’s nachts. Als ik overdag rustmomenten inlas om stil te staan, heb ik de hoop ’s nachts te slapen. Zeker als het me al een paar nachten gelukt is te vertrekken naar het paradijs. Toch overvallen die gedachtenstromen me dan in de nacht opeens. Ik word daar boos van. Ik vind dat ik overdag al genoeg stil heb gestaan bij alle ingewikkeldheden van de dag. Ik krijg het gevoel dat ik toch iets ‘fout’ doe, omdat ‘het’ niet werkt. Rationeel weet ik dat ik veel ‘goed’ doe. Mijn emotionele “ik” loopt gewoon een stukje achter op mijn rationele “ik” en gaat nog even door met verwerken van de indrukken van de dag.

Ik blijf dromen van het paradijs. Misschien neem ik er vanavond een kijkje. Misschien ook niet.

Dromen mag, toch?

Ik ga op vakantie en neem mee…

Ik pak mijn spullen in om een weekje op vakantie gaan. In een andere omgeving mijn rondjes rennen. Schrijven aan de eerste versie van mijn boek. Dit zijn de twee doelen voor komende week. Ik besluit mijzelf eens goed te gaan verwennen. Ik neem crackers, lekkere kaasjes en rode wijn mee. In het huisje heb ik een open haard. In mijn hoofd heb ik het ideaalbeeld dat ik in de avond genietend van mijn crackers, kaasjes en rode wijn de avond fluitend door kom.

Ik besluit dat ik vakantie heb op het moment dat ik de auto in stap en niet pas als ik op de plaats van bestemming ben. Op vrijdagochtend geef ik nog ‘mijn’ herstelgroep depressie in de kliniek. Na deze les, neem ik even de tijd om tot rust te komen. Ik wandel een half uurtje in de miezerregen en eet een broodje. Dan stap ik in de auto. De verwachting is dat ik er zo’n 2,5 uur over zal gaan doen. Al na een half uurtje merk ik dat ik onrustig begin te worden en dat ik trek heb in koffie. Mijn hoofd vindt zo’n snelle stop veel te vroeg. Toch besluit ik tegen mijn hoofd in te gaan en mijn gevoel te volgen. Ik stop voor een koffie langs de snelweg. Weer kies er voor de rust ook daadwerkelijk te nemen. Ik ga zitten in het restaurantgedeelte en drink mijn koffie rustig op. Nou ja, ik check wel gelijk even mijn mail…

Vol goede moed ga ik weer op weg. Na een uurtje rijden protesteert mijn lijf alweer. Ik ben moe, mijn schouders doen pijn en mijn enkel vindt autorijden nog niet zo fijn. Ik ben boos op mijzelf. Ik stel me aan. In een vorig leven reed ik in mijn eentje naar Italië, slechts stoppend voor toilet en benzine. Ik realiseer mij dat de weg naar herstel nog lang is. Langer dan ik dacht. Langer dan ik hoopte. Slikken en accepteren. Weer stop ik en wandel een beetje over de parkeerplaats.

Aangekomen bij het huisje, check ik in, pak mijn spullen uit en steek de open haard aan. Ik zal genieten van de kaas en wijn. Dus ik geniet, heel even, een microseconde. Het blijkt slechts een avond als alle andere avonden. Ik app nog even een foto naar wat vrienden, zodat die kunnen zien hoe knus het hier is. Ik doe mijn ontspanningsoefeningen en probeer tot rust te komen. Het lukt slechts gedeeltelijk. Ik slaap nauwelijks die nacht.

De volgende dag mag ik eindelijk doen waarvoor ik gekomen ben. Na mijn enkelblessure van begin deze maand, kan ik weer hardlopen. Mijn fysio drukte mij op het hart: “je mag hardlopen, maar blijf vooral op het asfalt”. Dat was niet helemaal wat ik in de planning had, toen ik vorig jaar dit huisje boekte. Maar goed, ik ga voor de compromis. Wel een fikse heuveltraining, maar ik blijf op asfalt én ik loop nog iets minder kilometers dan mijn schema aangeeft. Ik voel me goed tijdens het hardlopen, blij dat ik weer mag rennen. Ik ben opgelucht dat de conditie na twee weken totale rust nog redelijk is.
Ik voel mezelf zelfs zo goed dat ik een café ga zitten en een cappuccino met een stuk Limburgse vlaai bestel (mét slagroom…). Een vrouw vraagt of zij, haar man en vriendin bij mij aan de ronde tafel mogen zitten. Ik vind het prima. Ik klets even met ze en zeg hen dat ik wel wat naar zweet stink, zo in mijn hardloopkloffie. Net voordat ik het echt koud begin te krijgen, stap ik op en ren ik het laatste stuk met een volle maag terug naar het huisje.

In de middag corrigeer ik mijn eigen werk. De twijfel slaat toe. Is het wel een goed idee om een boek te willen schrijven? Er zijn al vele boeken geschreven over depressie. Wat zal mijn boek toevoegen? Is de schrijfstijl wel goed, is het boek logisch opgebouwd? Wat zal een objectieve onafhankelijke lezer hiervan vinden? Zal ik ooit een uitgever vinden of zal ik gaan voor self-publishing? Of vergeet ik dit project en blijft mijn boek op mijn computer staan? Gelukkig heb ik mijzelf, in een dapper moment, met kerst een cadeau gegeven. Ik heb mezelf een manuscriptredactie gegund. Dat sterkt mij. Volgende week lever ik mijn manuscript aan voor een eerste review.

Ik slaap die nacht weer nauwelijks. Ik pieker. Ik heb, eerder deze week, een brief geschreven (maar nog niet verstuurd) naar een vriendin. Een moeilijke brief, waarin ik aangeef dat ik mijn vertrouwen in haar kwijt ben. Dat ik echt geprobeerd heb uit te leggen wat depressie voor mij is. Ik heb zo mijn best gedaan. Ik voel mij gekwetst. Ik heb het gevoel dat zij mijn depressieve gedrag niet kan accepteren als onderdeel van mij. Ik mag best depressief zijn, zolang het niet mijn hulp aan haar schaadt. Dat is bittere afdronk die ik proef. Ik neem het besluit de brief te versturen en daarmee de vriendschap op te zeggen. Vriendschap die niet wederkerig bleek te zijn. Pijnlijk, maar een goed besluit. Ik hoop dat dit definitieve besluit mij slaap oplevert.

Ik wist, dat als ik op vakantie zou gaan, ik mezelf mee zou nemen. Mijn depressie zou niet thuisblijven. Ik dacht dat ik dat aankon. Ik dacht dat ik kon dealen met de eindeloosheid van de dag, na de eindeloosheid van de nacht. De onrust. Het niet kunnen slapen. Ik wist het. Toch ben ik teleurgesteld. Het ligt niet aan het huisje, ik voel me er op mijn gemak. De omgeving is mooi. Het is zeker fijn om de heuvels te kunnen trainen voor de Heuvellandmarathon in maart. Helaas kan ik niet elke dag, niet de hele dag, rennen. Ik word gedwongen stil te staan bij mijn onrust.

Morgen gaat het weer sneeuwen, morgen heb ik nog een rustdag. Ik hoop dat de sneeuw niet blijft liggen. Ik hoop dat de keelpijn en algehele malaise in mijn lijf, zich niet ontwikkelen tot griep.

Ik hoop dat ik overmorgen weer kan rennen.

Ontspoorde trein

Afgelopen donderdag, begon ik aan mijn rondje hardlopen in de duinen. Terwijl ik mijn hardloophorloge vast naar de GPS wilde laten zoeken, ging ik hard door mijn enkel. Ik viel op de grond en zat daar misselijk van pijn en schrik. Gelukkig was ik nog niet te ver van mijn auto. Snel inventariseerde ik de schade en maakte een plan. Ik was op een doorgaand wandelpad, dus er zouden vast mensen langskomen, die me naar mijn auto konden helpen. Ik trilde en had het koud, van de schrik en van de pijn. Ik stond op en liep een paar stappen, het deed gruwelijk zeer, maar ik kon er nog op lopen. Ik besloot naar mijn auto te lopen. Toen ik vlak bij mijn auto was, zag ik twee andere hardlopers met een kinderwagen. De man keek mij even kort aan terwijl ik naar mijn auto strompelde. Hij zei niets. Eigenlijk had ik gehoopt dat hij even zou vragen “gaat het?”. Ik had iemand nodig die mij medeleven toonde.

Ik trok mijn warme donsjas aan, ging in de auto zitten en overdacht mijn opties. Als ik te lang stil zou blijven zitten zou mijn enkel alleen maar dikker worden en meer pijn gaan doen. Ik besloot een vriendin te bellen die een kwartiertje rijden vanaf de duiningang woont. Dan kon ik daar mooi even koelen en pijnstillers slikken, voordat ik naar huis reed. Helaas nam zij de telefoon niet op (het was een gewone werkdag). Ik besloot dan toch maar mijn tanden op elkaar te zetten en naar huis te rijden. Gedurende een half uur, verbeet ik de pijn en moedigde ik mijzelf aan dat thuis een Icepack en pijnstillers wachtte. Thuis zou ik mezelf ook kunnen toestaan te gaan huilen van de pijn en frustratie. Als ik nu medelijden met mezelf zou tonen, zou ik niet thuiskomen. Die middag zat ik op de bank met mijn pootje omhoog te koelen en te wachten tot de pijnstillers eindelijk gingen werken. Ik maakte me zorgen, de pijn was niet eerder in mijn ‘zwakke-enkelscarrière’ zo hevig. Ik besloot de volgende dag langs de fysio te gaan om te kijken wat de schade was. In de avond werd de pijn eindelijk wat minder.

De volgende ochtend besloot ik tot een experiment. Ik zou deze keer wél om hulp vragen. Ik kon best zelf met de auto of de fiets naar de fysio, maar dat zou behoorlijk pijn doen. Ik wist dat mijn buurvrouw mij zeker zou willen rijden, als ze kon. En ze kon, ze bracht mij naar de fysio. Mijn enkel werd getaped. Thuisgekomen appte een vriendin dat ze die middag wilde komen, zodat ik even kon klagen. Ze bracht wat lekkers voor bij de koffie mee en ik klaagde er op los. Eigenlijk was ik best tevreden met mijzelf. Ik had hulp gevraagd en ik had een aanbod om even verzorgd te worden geaccepteerd. Experiment geslaagd.

Ik werd wakker, de volgende dag, toen ontspoorde mijn trein, totaal onverwacht. De locomotief was ontspoord en had alle wagons uit balans gebracht. De locomotief was tezamen met de wagons van het talud gestuiterd. Ik was mijn houvast kwijt. De houvast om, om de dag, een rondje hard te lopen. De houvast om zo een dagdeel onder te pannen te zijn: het rijden naar de duinen, een rondje rennen, het terugrijden en badderen vult toch zeker een halve dag. De houvast om toch af en toe een voldaan gevoel te ervaren na een training. Ik raak in paniek. De onrust in mijn hoofd en lijf neemt toe. Het lukt niet om mij ergens op te concentreren. TV kijken houdt mijn aandacht niet vast. Een boek lezen lukt niet langer dan een kwartiertje. Ik speel veel spelletjes op mijn telefoon. Het lukt niet om mezelf te kalmeren, door naar muziek te luisteren of door een ademhalingsoefening te doen. Ik speel nog meer spelletjes. Mijn lijf protesteert. Mijn polsen trekken het vasthouden van de telefoon niet. Ik vloek, ben boos op mijn lijf. Ik kijk weer even TV. Ik leg mijn boek op een kussen, zodat ik het niet vast hoef te houden. Ik lees een kwartier en speel toch weer een spelletje op mijn telefoon en lees daarna weer een kwartiertje. Ik ben moe van mijn onrust.

Ik kan weer een stukje lopen, dus besluit boodschappen te doen. Ik haal te veel lekkers in huis en krijg een eetbui. Een volle buik is helemaal geen fijn gevoel. Het ontregeld mijn darmen. Ik weet ook dat het niet helpt. Het lekkers smaakt eigenlijk helemaal niet zo lekker als ik hoopte. Het eten vult tijd, vult mijn buik en geeft heel kortstondig een moment van ‘verzorging/warmte’.  Ik voel schaamte. Schaamte dat het me niet lukt, mijzelf te beheersen. Ik voel me schuldig. Schuldig dat ik mijn lijf verpest.

Ik vraag me af of het wel zo nodig was de buurvrouw te vragen om mij twee dagen geleden naar de fysio te rijden. Ik kan nu inmiddels al weer lopen. Ik vind mezelf een aansteller. Ik had gewoon zelf nog even door moeten bijten. Het is raar om twee dagen geleden nauwelijks te kunnen lopen en nu alweer een kwartiertje te kunnen wandelen. Ik probeer aardig te zijn voor mijzelf. Ik probeer mezelf te overtuigen dat ik echt niet kon lopen twee dagen geleden. Dat het écht ok was hulp te vragen, ook al zou ik het alleen ook hebben kunnen redden. Morgen is er weer een nieuwe dag, ik probeer te slapen en word moe en onrustig wakker. Weer een dag om te vullen. Ik ga klussen bij een vriendin. Zittend op de vloer kan ik prima de plinten verven. Het is fijn iets te kunnen doen en haar te kunnen helpen. Het houdt mij bezig. Aan het eind van de middag ga ik weer naar huis. Ik ben weer onrustig en maak een omweg naar de supermarkt. Ik eet weer een pak koekjes leeg. Ik voel me vol en schaam me weer.

Mijn trein is ontspoord. Ik worstel om hem weer op de rails te krijgen. Ik baal ervan. Mijn trein was net weer op het goede spoor. Mijn trein ging langzaam, maar gestaag vooruit. Af en toe was er een wagon uit balans, maar de snelheid van de locomotief en de andere wagons hielden die ene wiebelende wagon op het spoor. Ik zie mijn therapeut. Ik beken haar (voor het eerst) dat ik eetbuien heb en ik me daarvoor schaam. Gelukkig hoeven we het daar niet over te hebben. We weten beiden dat het een symptoom is van onrust. Van onderliggende problemen. Ik ben goed in ‘noodsituaties’, ik blijf koel en kan handelen en doen wat nodig is om te overleven.

Mijn crisis begint eigenlijk nu pas.

Zelfzorg

Gister vertelde ik mijn saunavriendin dat ik de handdoek in de ring wil gooien. Ik ben het zat om elke keer uit het diepe dal van de depressie te moeten klimmen. Ik zie die enorme berg weer voor me en weet dat ik die wéér op moet, voordat het misschien weer wat beter kan gaan.
Dat betekent:
knokken om, na weinig slaap, in de ochtend op tijd mijn bed uit te komen,
knokken om toch mijn hardlooprondjes te blijven rennen,
knokken om gezond te blijven eten.

Vooral betekent het: ‘goed voor mijzelf zorgen’.
Ik ben er inmiddels achter dat ‘goed voor mijzelf zorgen’ niet zit in de makkelijke dingen.
Als in: ‘op tijd opstaan’, ‘gezond eten’, ‘sporten’, maar juist zit in de moeilijke dingen.
Als in: ‘niet boos worden op mezelf als het me niet lukt om op tijd op te staan of als ik weer naar de chocolade grijp’.
Als in: ‘mijzelf niet veroordelen als ik faal’.

‘Goed voor mijzelf zorgen’ betekent: mijn eigen grenzen bewaken, kiezen voor mijzelf.
In mijn woordenboek staat “kiezen voor mijzelf” gelijk aan “egoïsme”.
Wikipedia definieert een egoïst als volgt:
“Egoïsme (uit het Lat.: ego = ik), ook wel ikzucht of zelfzucht genoemd, is een menselijke eigenschap waarbij iemand streeft naar eigen voordeel en geluk met verwaarlozing van de belangen en het geluk van anderen.”

Het voelt zo onwennig, onveilig en angstig om te volgen wat ik voel. Ik zou graag willen dat ik niet meer oordeel over mijn keuzes. Ik zou graag willen dat ik egoïsme los kan zien van het kiezen voor mijzelf. Ik kies niet met het idee bewust de belangen van anderen te verwaarlozen. Sterker nog, ik kies er meestal voor de belangen van anderen prioriteit te geven. Ik mag leren kiezen mijn eigen belangen evenveel prioriteit te geven als de belangen van anderen. Dat maakt mij nog geen egoïst.

‘Goed voor mijzelf zorgen’ is wél een dagje sauna met mijn saunavriendin doen, ook al voel ik mij rot en kost het mij moeite om te gaan. Ik geniet van de warmte van de sauna. Ik geniet vooral van de warmte van mijn vriendin. We drinken koffie, we kletsen over koetjes en kalfjes. Al snel kletsen we over ‘de dingen die er echt toe doen’. Ik heb met haar wezenlijke gesprekken over mijn leven, maar ook over hoe zij in het leven staat. We vinden elkaar in onze zoektocht naar kwaliteit van leven. We delen onze visies met elkaar, we delen met elkaar welke boeken we over het leven lezen. Ik leer van haar.

Als we naar de eerste sauna van de dag lopen, maak me veel zorgen dat ik teveel energie van haar vraag, dat ik haar teveel belast met mijn sores en negatieve gedachten.
‘Goed voor mijzelf zorgen’ is ook checken of dat wat ik denk waar is. Ik haal diep adem en vraag haar of ik haar energie leeg zuig of ik haar teveel belast. Ze antwoordt dat niet zo is. Ik wil haar geloven. Ergens in mijn achterhoofd zeurt een stemmetje: “dat zegt ze alleen maar om jou geen rot gevoel te geven, je trekt haar energie wel weg”.
‘Goed voor mij zelf zorgen’ is er op vertrouwen dat zij zegt wat ze voelt. Ik vraag mezelf of ik haar vertrouw. Ik antwoord mezelf dat ik haar vertrouw. Ik adem uit en voel dat ze zegt wat ze voelt. Ik voel me opgelucht dat ik gecheckt heb of mijn gedachten klopten. Ik voel me vooral opgelucht dat ik geen belasting voor haar lijkt te zijn.

Ik durf mijn hersenspinsels met haar te delen, hoe belachelijk ik die zelf ook vind. Tijdens een saunagang lag ik op mijn handdoek en ik lag te denken aan hoe fijn het was deze grote handdoek mee te hebben. Toen ik die morgen mijn tas inpakte, bedacht ik me hoe fijn het zou zijn als mijn saunahanddoek wat groter zou zijn. Normaal neem ik daar gewoon een douchehanddoek voor mee. Ik bedacht me ineens dat ik natuurlijk ook mijn grote strandhanddoek (die achter in de kast op de zomer ligt te wachten) mee kon nemen. Ik overdacht mijn genialiteit in de sauna en moest lachen om hoe vastgeroest ik zit in patronen. Zo vastgeroest dat het gerust een doorbraak genoemd kan worden dat ik een strandhanddoek tot saunahanddoek gebombardeerd had. Na het koud af douchen deelde ik mijn hersenspinsel en doorbraak met mijn saunavriendin. Ze lachte me hartelijk uit en ik deed met haar mee.

Ik rij die avond naar huis. Ik voel me lichter, mijn hoofd is leger, ik voel me warmer.

Home

De waarde van schuldgevoel

Gister vroeg een vriendin aan mij of ik vandaag een half uur tijd had om haar hond uit te laten. Ik voelde me enorm verplicht om haar uit de brand te helpen.

Momenteel vlamt mijn depressie weer op. Ik heb grote moeite met afspraken maken, verplichtingen aangaan en met de dag doorkomen. Ik zag er tegenop om deze hondenafspraak in te plannen en na te komen. Ik kon ook niet tegen haar liegen. Ik had de uren wel. Ik had voor vandaag twee afspraken in mijn agenda staan: Hardlopen en een afspraak met een cliënt, die ik als (vrijwillig) ervaringsdeskundige mag begeleiden. Ik wilde ook nog even naar de bibliotheek en kijken voor een nieuwe fiets.

Ik vond dat de bibliotheek en een nieuwe fiets bekijken, niet belangrijk genoeg waren om daar tijd/energie voor op te eisen. Deze plannen kon ik makkelijk uitstellen. Eigenlijk vond ik dat ik niet het recht had om onbelangrijke dingen te doen. De hond had meer prioriteit. Dat was een probleem, dat opgelost moest worden, door mij. Ze vroeg het aan mij en daarmee voelde ik de verantwoordelijkheid voor haar probleem. Er zitten er meer dan genoeg uren (eerder teveel) in een dag om een half uur vrij te maken om de hond uit te laten. Bovendien is het goed om buiten te zijn en het is goed om in beweging te zijn en het vult weer een half uur van mijn lange dag. Ik had dus geen rationele reden om “nee” te zeggen. ”Ik heb geen zin”, is geen goede reden.

Ik was ook een beetje boos op mijn vriendin. Ik had haar gistermiddag nog gesproken en aangegeven dat het niet goed ging met mij. Hoe kon ze mij dan überhaupt die vraag stellen? Ik vertelde, gisteravond, huilend aan de telefoon dat ik wel tijd had, maar dat het mij niet ging lukken. Ik voelde mij enorm schuldig en verantwoordelijk. Ik maakte van haar probleem, mijn probleem. Direct gaf ze aan dat het goed was dat ik “nee” zei. Ik hoefde me niet schuldig te voelen. Ik moest het schuldgevoel over mijn schouders weggooien en er niet meer aan denken. Ze zou iemand anders vragen.

Haar perspectief was: “ik vraag het gewoon, Judith is vrij om ‘nee’ te zeggen en ik vertrouw erop dat ze dat wél doet”.

Mijn perspectief is: “ik mag géén ‘nee’ zeggen, want ‘geen zin hebben’ of ‘willen winkelen’ is geen goede reden. Mijn plannen zijn niet belangrijk genoeg. Bovendien zadel ik haar met het uitlaatprobleem op. Als ik ‘nee’ zeg word ze misschien wel boos op mij, als ze later hoort dat ik wel tijd had om te winkelen, maar geen tijd had om haar hond uit te laten. Ik vertrouw er niet op dat mijn ‘nee’ gerespecteerd wordt.”

Ik moet oefenen met ‘nee’ zeggen.
Ik mag oefenen met ‘nee’ zeggen.

Ze zegt me altijd eerlijk te zijn of ik iets wel of niet wil doen. Ze zal mijn ‘nee’ accepteren. Het is zo ongelofelijk moeilijk voor mij om zonder ‘goede’ reden ‘nee’ te zeggen. Het schuldgevoel is groot. Het schuldgevoel bleef gisteravond aanwezig. Vanmorgen was het weg. Ik deed mijn hardlooptraining, ik sprak mijn cliënt. Op de terugweg naar huis, leverde ik mijn boeken in bij de bieb en ging langs een fietsenwinkel voor een oriënterend rondje.

Thuisgekomen voelde ik me eventjes relaxt en had ik een vrij gevoel. Het gevoel dat ik vrij ben om mijn eigen keuzes te maken.

Dat ik mag kiezen wat goed voelt voor mij.
Dat ik niet hoef te kiezen wat goed is voor de ander.
Dat mijn plannen waarde hebben.
Dat mijn behoeften prioriteit mogen hebben.
Dat de ander mijn “nee” accepteert.

Home

De gift van een gezellige middag

Het is zondagmiddag, bijna 12:00 uur en ik ben gespannen. Ik heb mijn huis (redelijk) opgeruimd voor het social-run-team dat vanmiddag komt kennismaken. Ik zelf ken 3 van de verwachte 8 mensen niet. Bijna niemand van de 8 mensen kent elkaar. Ik voel me nu al enorm verantwoordelijk voor het welzijn van de teamleden. Wat kan ik er aan doen om de middag te laten slagen. Ik heb koffie, thee, fris en wat te knabbelen. De twijfel slaat toe. Heb ik genoeg eten & drinken, is er iets bij wat iedereen lust. Hoe ga ik om met stiltes. Mag ik mij even terugtrekken in de (open) keuken om de koffie te regelen of zorg ik dat alles klaar staat op het moment suprême?

Ik besluit te delen met een vriendin dat ik het spannend vind. Ze appt dat ze me begrijpt en vraagt of ze nog iets voor mij kan doen. Ik bedenk “Nee, niet nodig”, ik heb immers eten & drinken. Dan realiseer ik me dat ik ook wat anders kan vragen. Ik kan “steun” vragen. Ik vraag haar om wat eerder te komen, zodat ik alvast in de ‘kletsmodus’ kan komen. Direct vraag ik mij dan af hoe dat dan moet. Dan ‘moet’ ik haar entertainen, terwijl de rest dan binnen komt druppelen. Ik kan me nooit met iedereen tegelijk bezig houden. Ik kan nooit zorgen dat iedereen het naar zijn zin heeft. Ik kan niet voorkomen dat iemand zich op enig moment ongemakkelijk voelt. De spanning in mijn lijf neemt toe.

De paniek slaat toe… Ik probeer mezelf te kalmeren. Het zijn allemaal volwassen mensen. Zij hebben gekozen om op mijn uitnodiging voor kennismaking in te gaan. We zijn allemaal (redelijk) sportieve mensen. Dat schept een band. Zij zijn ook zelf verantwoordelijk voor de sfeer van de middag. Ik haal een paar keer diep adem. Ik kalmeer wat. Ergens heeft mijn rationele hoofd natuurlijk gelijk. Maar diep van binnen vind ik dat ík nog steeds de verantwoordelijk ben voor het welzijn van de rest.

Ik probeer het van mij af te zetten. Ik lees een boek, luister wat muziek. Ik kijk nog eens het ‘to-do-lijstje’ van vanmiddag door. Wie wil wat doen (rennen, fietsen, chauffeuren, regelen)? Welke vragen zullen er komen? Hoe laat zal ik de koffie aanzetten? Moet ik al het lekkers al vast op een schaal doen? Moet ik een kennismakingsspelletje inbrengen? Kortom mijn hoofd loopt over. Ik zal NU moeten accepteren, dat ik niet alles perfect voor elkaar kan hebben. Want wat is perfectie eigenlijk?

Ik voel de spanning in mijn lijf toenemen. Ik krijg ‘ineens’ last van mijn schouder en nek. Ik voel de spanning in mijn buik. Ik besluit de spanning niet weg te duwen, maar te voelen dat ie er is. Dat schijnt op de lange duur beter te zijn…
Ik hou dat eventjes vol en besluit dan toch dat ik de spanning in mijn schouder echt niet fijn vind. Ik bedenk me dat ik nog een massage apparaat heb. Ik zet het apparaat op mijn schouder en laat het apparaat de spanning uit mijn schouders kneden. Dat helpt een beetje.

Het is 19:45 en ik zit bij te komen van een geslaagde middag. Gelukkig had ik de koffie niet alvast aangezet. Het bleken allen theedrinkers! Een vriendin, kwam zoals afgesproken, wat eerder. We kletste even bij, ik had haar al een tijdje niet gezien. Mijn spanning zakte iets. Rond 15:00 uur kwam de rest binnen druppelden. Iedereen kwam ongeveer tegelijk binnen. Ik had een kort gevoel van ‘help, hoe moet dat nou, hoe kan ik nu tegelijk voor iedereen zorgen?’ Al snel bleek iedereen zichzelf prima te kunnen redden. Ik ervaarde een gevoel van opluchting, mijn spanning zakte iets. Als vanzelf ontstond er een soort introductie en gaf iedereen aan wat hij/zij wilde doen. (Praten over) Sport verbindt echt! Ik heb weinig ongemakkelijke momenten ervaren.

Het viel me op, dat vrijwel iedereen de zelfde soort twijfels had. 555 km in één weekend dat lijkt een onvoorstelbare verre afstand. Iedere 2 km wisselen van loper, dat zo’n 55 uur lang. Weinig slaap. We hadden het over de lengte van de etappes. Iedere 2 km wisselen, lijkt zo kort, hoe kom je dan ooit in een ritme. De ervaring (van andere social run teams) van de afgelopen 7 edities leert dat 2 km een prettige afstand is. Ons lijkt het vooral erg kort. Gelukkig zijn we vrij de run naar eigen inzicht in te delen.

We hadden het over wat er zoal gegeten en gedronken gaat worden. Goede koffie staat bovenaan de prioriteitenlijst en een pannenkoekenbakker in het team lijkt erg fijn te zijn. Een teamlid leek het absoluut niet fijn om pannenkoeken te gaan bakken, zij stelde voor catering te regelen. Een kwartiertje later merkte ze op, dat er natuurlijk mensen zijn die het wél fijn vinden om voor veel mensen pannenkoeken te bakken. Ze merkte daarna ook op dat ze geneigd was om erg vanuit haar eigen perspectief te denken. Ik moest meteen aan een eerder blog van mij denken, waarin ik schreef hoe ik vanuit mijn perspectief naar kritiek ontvangen keek en er vanuit ging dat iedereen mijn perspectief deelde. Mooi om te ervaren hoe hetzelfde thema ook bij anderen naar voren komt.

We hadden het ook over het aangeven van grenzen. Want hoe zou het zijn als je er op enig moment tijdens de estafette doorheen zit en niet meer verder wilt? Zou je dan het team benadelen als je aangeeft niet meer verder te kunnen? Zadel je jezelf dan met een schuldgevoel op als je je grens aangeeft? We besloten gezamenlijk altijd bespreekbaar te maken dat je je eigen grens aan mag geven. We hadden ook al snel door dat het hebben van meer dan voldoende teamleden, ruimte schept om die grens aan te geven.

Nadat iedereen vertrokken was, voelde het ineens stil in huis. Ik was weer alleen. Met de overgebleven koekjes… Het ‘alleen-gevoel’ is een minder prettig gevoel. Er is dan niemand in de buurt met wie ik de ervaring kan delen. Het ‘alleen-gevoel’ kunnen ervaren is ook een soort gift.

De gift van een gezellige middag.

Home

Een kritisch onderzoek

Afgelopen week mocht ik kritiek geven op een voorstel voor een subsidieaanvraag. Ik voelde mij vereerd dat de onderzoeker hierbij aan mij, als ervaringsdeskundige, dacht. Ik vond het ook vreselijk lastig om kritiek te geven op het voorstel. Nog lastiger daarbij vond ik, dat ik de onderzoeker ken. Kritiek heeft voor mij een negatieve lading. Ik las haar mail nog eens terug. Ze vroeg zij mij om ‘commentaar’ te geven. Het woord ‘commentaar’ klinkt al een stuk minder negatief dan het woord ‘kritiek’. Dit kon ik wel, ik begon te lezen.

Ik vroeg mij een dag later af waarom ik het nu zo verschrikkelijk lastig vind om kritiek (ik hou het nog even bij het negatieve woord) te geven. Na enige soul-searching kwam ik erachter dat ik het zelf vooral lastig vind om kritiek te ontvangen. Vanuit mijn perspectief is het logisch dat een ander, kritiek ontvangen óók als negatief ervaart.

Voor mij is het een wonderlijke ervaring als de onderzoeker mij zegt, oprecht blij te zijn met mijn kritiek. Ik vind het moeilijk te geloven dat de ander dat positief kan ervaren. Diep van binnen, vertrouw ik de ander dus blijkbaar niet voldoende op haar woord. Eigenlijk zeg ik dan dat ze liegt. Tegelijkertijd weet ik (rationeel) dat ze niet liegt. Het vertrouwen is er dus wél, het ongeloof blijft.

Ik ervaar kritiek als een aanval op mij persoonlijk. Het kwam niet bij mij op dat een ander dat totaal anders kan ervaren. Blijkbaar kunnen anderen kritiek op werk (of gedrag) los zien van kritiek op hun persoon.

Ik doe alles om kritiek te vermijden. Dat leidt er toe dat ik een perfectionist ben. Als ik een opzet voor een rapport moet schrijven, zorg ik dat het er perfect uit ziet. Er staan geen spelfouten in, de zinnen zijn volledig, de lay-out is tip tip in orde. Alle mogelijke vragen en daarbij behorende antwoorden, worden ondervangen in het rapport. Kortom het document lijkt dan in niets op het resultaat van een eerste opzet. Rationeel weet ik dat perfectie niet bestaat, er komt altijd kritiek. Door mijn manier van denken maak ik mijzelf juist kwetsbaarder en gevoeliger voor kritiek.

Kritiek ontvangen, staat voor mij gelijk aan falen. Ik word dan geconfronteerd met (bijvoorbeeld) een vraag, die ik niet had voorzien. Ik heb mijn werk niet goed gedaan. Ik had die vraag moeten voorzien en moeten beantwoorden. Dan had ik ook geen kritiek ontvangen.
Ik ga er hierbij dan gemakshalve vanuit dat ik de gave heb om in andermans hoofd te kijken. Een volgende keer voeg ik het ontvangen kritiekpunt toe aan mijn (inmiddels lange) back-up lijst met kritiek. Ik zorg dat ik deze fout niet meer maak. Een volgende keer ben ik nog langer bezig om mijn stuk perfect op te leveren en nog kwetsbaarder voor kritiek.

Doordat ik kritiek op mijn werk (of gedrag) niet los kan zien van kritiek op mijn persoon, komt kritiek dubbel hard aan en ervaar ik altijd een gevoel van falen. Zeker als men dan besluit het project totaal over een andere boeg te gooien. Dan word ik boos. Had men dat mij niet eerder kunnen vertellen? Nu heb ik het fout gedaan, maar daar kan ik niets aan doen, want ‘jullie’ veranderen de regels van het spel. Ik voel alsof mij onrecht is aangedaan. Ik ervaar een enorm schuldgevoel, terwijl het niet mijn schuld/fout is. Ik vlieg vol in de weerstand, ga zitten mokken en schrijf uiteindelijk het stuk opnieuw. Met de nieuwe richtlijnen, weer perfectionistisch. Weer kwetsbaar voor kritiek.

Soms krijg ik zo genoeg van druk die ik hiermee mijzelf opleg, dat ik onder presteer of juist iets veel te moeilijks probeer. Bij het klimmen in de klimhal koos ik, soms expres een (te) makkelijke route uit, omdat ik dan zeker wist dat ik in één keer boven zou komen. Soms koos ik juist expres een veel te moeilijke route uit. Dan wist ik zeker dat ik (en anderen) niet van mij konden verwachten dat ik in één keer boven zou komen, dat was fysiek gewoon onmogelijk. Dat gaf rust, want dan kon ik (letterlijk) vallen en weer verder klimmen, zonder dat ik het vallen als falen zag.

Van de week gaf ik zelf kritiek op een onderzoeksopzet. Mijn kritiekpunt was eigenlijk dat de onderzoeksopzet 180 graden gedraaid moest worden. Ik voelde me vreselijk dat ik dit op ‘moest’ schrijven. Ik besloot het wél te doen. Ik moet tenslotte oefenen met (voor mij) tegen natuurlijk gedrag. Ik werd tenslotte uitgenodigd om mijn mening te geven. Ik drukte op “verzenden” in mijn mailbox en wachtte met samengeknepen billen op de reactie.

Ik was bang dat de onderzoeker boos op mij zou worden. Boos op mij, omdat ik eigenlijk zei dat ze het verkeerd aanpakte. In ‘mijn’ beleving zei ik eigenlijk tegen haar dat ze als mens niet deugde… Mijn rationele hoofd zei wel, dat deze conclusie niet klopt. Ze deugt zeker als mens. Ik vond alleen dat de onderzoeksopzet vanuit de verkeerde kant benaderd werd. Ik had kritiek op het werk, niet op de persoon. Ik kwam tot rust.

Haar reactie kwam, ze leek niet boos. Ze gaf aan dat ik met mijn reactie precies de pijnpunten van het voorstel blootlegde. Ik voelde een enorm gevoel van opluchting. Ik kreeg bevestiging. Ik had het ‘goed’ gezien. Ze was niet boos op mij. Later kwamen we elkaar toevallig in de wandelgangen tegen. Uit niets bleek dat ze boos op mij was, haar mimiek en woorden gaven nog steeds aan dat ze blij met mij reactie was.

Wonderlijk
Onwerkelijk
Ongelofelijk

Home