Beste Sinterklaas,

Eind 2018 was het, toen ik voor het eerst van de Socialrun hoorde,
ik las vooral, hoe de Socialrun eigen kracht aanboorde.
Ik wist niet goed waar te beginnen,
duidelijk was al snel dat #meedoeniswinnen.

In maart renden we met team #geefonskleur door het Heuvelland,
er was daar regen, zon, wind, heel veel modder en zand.
Het OndersteuningsTeam stond voor ons klaar onderweg,
wat zorgden zij voor goed entertainment zeg!

Zou het zo simpel kunnen zijn?
niet presteren, alleen meedoen, zo fijn.
Ik concentreerde me eerst alleen op het rennen,
dat ik #meedoeniswinnen breder (in het leven) kon zien, was wennen.

Ik begon met het dragen van het rode bandje,
als ik even niet meer wist, hielp het mij een handje.
Niet alleen nodigde het me uit tot vertellen,
het hielp mij ook mijn besluiten te versnellen.

Zo vroeg ik een subsidie aan, de kans op afwijzing was zeer groot,
het bandje hielp mij want: “#meedoeniswinnen” stond er op het rood.
Ik diende mijn projectaanvraag in,
tot mijn grote verassing werd het een win!

Ik begon ook met het team Fit4Fun samen te stellen,
zodat we met zijn allen de 555km door Nederland konden snellen.
Het hoefde niet snel, langzaam aan was ook goed,
’t gaat er om dat je het samen doet!

Elke rol binnen het team is even waardevol,
De een kan niet zonder de ander, dat is de lol.
Het gaat er niet om dat je wint,
Het gaat er wél om dat je begint.

Dat je stappen durft te zetten,
Dat er anderen zijn die op je letten.
Dat je een knuffel krijgt of geeft,
Dat je ziet wat er bij die ander leeft.

Dus Sinterklaas ik wil graag weer zo’n mooi cadeau dit jaar,
Met “#meedoeniswinnen” , is mijn verlanglijst klaar!

Weg

Ik weet het al een tijdje. Ik moet weg bij de ggz-instelling waar ik onder behandeling ben. Ik ben er al veel te lang (drie jaar ipv twee jaar) toch blijf ik behoefte houden aan ondersteuning. Niet zo zeer ‘behandeling’, maar ondersteuning ten tijde van diepe depressie en begeleiding in betere tijden. Begeleiding over hoe ik met mijn emoties en de uitdagingen van ‘het leven’ kan omgaan. Het is nu een ‘goed’ moment om op zoek te gaan naar een vrijgevestigde behandelaar, aangezien mijn huidige behandelaar van afdeling wisselt. Deze keer kan ik echt niet meeverhuizen, ik pas emotioneel dan wellicht wel in haar doelgroep (jong volwassenen), maar qua biologische leeftijd ben ik te oud…

Het is ook een ‘slecht’ moment om te moeten wisselen van behandelaar, zo midden in een depressie. Wisselen betekent namelijk ook keuzes maken en actie ondernemen van mijn kant. Niet mijn sterkste punten, zeker niet nu. Gezamenlijk schreven mijn behandelaar en ik een brief naar mijn huisarts, met het verzoek mij te ondersteunen in de zoektocht naar een nieuwe behandelaar. Ik heb wat wensen, die eigenlijk eisen zijn…

Zo moet hij/zij bekend zijn met schematherapie, bereid zijn te willen ondersteunen in plaats van te willen behandelen (met als doel ‘beter’ worden) én wellicht het belangrijkste ik moet niet binnen een jaar klaar hoeven zijn. Ik wil er kunnen blijven, zolang ik daar behoefte aan heb. Geen eenvoudige opgaaf, die zoektocht. Via mijn huisarts kwam ik bij de POH terecht (de Praktijk Ondersteuner van de Huisarts), zij is zelf psychologe en heeft een uitgebreid netwerk. Dat is waar het mij om gaat, dat mijn verwijzer de werkwijze van mijn nieuwe behandelaar kent. Ik wil niet zomaar een naam van het wereldwijdeweb plukken. Ik wil iemand die past bij mijn hulpvraag (dat ik dit woord ooit nog eens zou gebruiken…). Nadat de POH mijn dossier gelezen had, kwam zij in een gesprek met twee namen van behandelaren die wel bij mijn hulpvraag zouden kunnen passen. De keerzijde was dat ik voor beide behandelaren 40 autominuten zou moeten reizen. Een groot nadeel. Maar een overkomelijk nadeel, als de ‘klik’ er zou zijn.

Thuisgekomen bestudeerde ik van beiden hun website, beiden leken aan te bieden wat ik zocht. Ik las vol vertrouwen verder tot ik bij de wachttijden aankwam. Maar liefst 6 maanden wachten! Dat zou betekenen dat er een groot gat zou ontstaan tussen het einde van het contact met mijn huidige behandelaar (eind november) en de start van het nieuwe. Ik besloot beide behandelaren te mailen om te vragen of het mogelijk was een kennismakingsgesprek te hebben op relatief korte termijn. Zo konden we samen kijken of er iets van een klik was, waarna ik kon besluiten op de wachtlijst plaats te nemen. Eén behandelaar mailde terug dat ze een patiëntenstop had. De andere behandelaar mailde terug dat ik begin december een kennismakingsgesprek kan hebben.

Afgelopen weken sprak ik met mijn behandelaar over hoe we dan die wachttijd gingen overbruggen? Ze gaf aan dat ze met niet liet vallen en dat er een oplossing zou komen. We planden in januari nog een afsluitgesprek en dan zouden we een plan maken voor de komende maanden. Eén van de opties was overbrugging bij haar opvolger. Dat zie ik niet zo zitten, want dan moet ik dus twee keer een nieuw wentraject met een voor mij onbekende behandelaar aangaan. Ik zelf heb sterk de voorkeur om ter overbrugging een bekende therapeut uit eerdere behandeltrajecten te zien (mijn drama- of PMT therapeut). Ik durfde deze optie bijna niet voor te stellen. Ik vroeg het haar, terwijl ik de woorden ‘dat zal wel niet mogelijk zijn’ in slikte. Mijn behandelaar gaf aan dat dit misschien wél mogelijk was. Wellicht kon ze me toch zelf nog zien als haar agenda in januari nog niet vol was. Ze gaf me hoop.

Op enig moment brak ik. Ik vond en vind het zo oneerlijk (een beter woord heb ik even niet). Er wordt nu van mijn gevraagd, vertrouwen en geduld te hebben dat het goed komt. Ik (over)leef nu met een enorme onzekerheid over wat er na half januari gaat gebeuren. Aan de ene kant is het fijn dat er misschien overbrugging kan van een bekende therapeut (drama/PMT) of mijn eigen behandelaar, aan de andere kant is ‘de misschien’ niet prettig. Ik probeerde dat aan te geven, maar durf dan niet hard genoeg te roepen. Ik wilde vragen: Kun jij niet voor mij nagaan of de drama/PMT therapeut überhaupt ‘mag’? Maar ik durfde het niet. Uit angst voor het antwoord. Dat het niet mogelijk was. Of dat ze dat op dit moment niet kon zeggen.

Narrig en boos werd ik, net als een puber. Wellicht ben ik toch geschikt voor de jong volwassenen poli… Ik was boos op hoe ‘het’ nu eenmaal werkt in GGZ-land. Ik was boos op de POH dat zij mij een naam doorgegeven had van iemand die geen optie was. Ik had verwacht dat de POH dit van te voren gecheckt had. Toen ik deze verwachting deelde met mijn behandelaar, zei zij dat dat niet gebruikelijk is en dat het inderdaad logisch is dat ik als cliënt daar zelf achteraan ga. Ik gaf terug dat dit nu juist is wat ik normaal gezien al lastig vind, maar in een depressie echt heel moeilijk vind. Eigenlijk had (en heb) ik gewoon de oerbehoefte om verzorgd te worden. Ik voel me alleen staan, terwijl ik steeds te horen krijg: ‘je staat niet alleen, dit doen we samen’. Een boodschap die voor mijn gevoel tegenstrijdig is, niet klopt. Ik voel me namelijk wél alleen staan. Ik moet zélf dealen met de, voor mij, onverdraaglijke onzekerheid.

Natuurlijk weet ik dat deze kwestie ‘oud zeer’ raakt. Natuurlijk weet ik dat dit verdriet en deze boosheid niet passend is bij de situatie van nu. Maar het voelt wél zo. Ik ga op zoek naar controle, over het proces. Ik wil de gaten opvullen. Zekerheden zoeken, zodat ik dat gevoel van bengelen aan een dun draadje in een grote leegte niet voel. Ik verwacht dan van de ander dat die mij helpt mijn onzekerheden met zekerheden te vullen.

Wat me op zo’n moment extra verdrietig maakt, is dat ook de boodschap ‘dit is nu eenmaal het leven, het hoort erbij’ en ‘het verdriet/de boosheid mag er zijn’ er vaak achteraan komt. Voor mij werkt dat niet geruststellend of troostend. Mijn interpretatie van deze van deze boodschappen (ten tijde van depressie) is altijd: ‘stel je niet aan!’ Mijn hoofd trekt de onterechte conclusie dat ‘het er mogen zijn van de emotie’ betekent dat je de pijn niet voelt. Daar ontstaat de kortsluiting: Ik voel de pijn wél, dat vind ik verwarrend. Het voelt alsof die pijn nooit meer weg zal gaan. Ik wéét dat dat niet zo is, maar ik geloof het niet en ik vertrouw er al helemaal niet op.

Aan het einde van de sessie droogde ik mijn tranen en stapte in de auto. Ik reed naar huis, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Ik dacht twee dingen: ‘deze tranen moeten wél opgedroogd zijn voor ik thuis ben, want stel dat de buurvrouw toevallig buiten is dan ‘moet’ ik van alles uitleggen’. En ik dacht: ‘over een klein uur heb ik een telefonische afspraak met de POH, wel handig als ik dan uit het drama ben’. Ik had de opdracht van mijn behandelaar gekregen om aan mijn POH te melden dat mijn verwachting was dat de POH de beschikbaarheid van de nieuwe behandelaren gecheckt zou hebben, voordat ze deze aan mij voorlegde. Mijn POH reageerde dat ze inderdaad niet wist dat er een patiëntenstop was bij die ene en dat de POH hier ook normaal gezien niet van op de hoogte is. Uiteraard vond ze het wél vervelend voor mij. We hadden overigens verder een prettig gesprek, waarin ze aangaf dat ik een complexe hulpvraag had en ze echt wilde dat ik bij de juiste behandelaar terecht kwam. Ze zei ook dat ik mocht zeggen als ik totaal geen ‘klik’ zou hebben met mijn mogelijke nieuwe behandelaar bij het kennismakingsgesprek, dan zou ze verder in haar netwerk gaan zoeken.

Ik blijf me nu echter afvragen welke toegevoegde waarde het melden van mijn verwachtingsprobleem aan de POH nu oplevert. Normaal gezien houd ik altijd mijn mond in dit soort situaties en ik vermoed dat ik dat in toekomstige gelijksoortige situaties weer ga doen. Mijn frustratie wordt hier namelijk niet minder van. Ik wist al dat de POH met alle goede bedoelingen mij wilde helpen (ze had zich echt uitstekend voorbereid op dat eerste gesprek). Ík had me niet mentaal voorbereid dat ‘vol’ een optie was. Ik had me enigszins voorbereid op een wachttijd (geen zes maanden, maar enige maanden).

Kortom ik heb weer een toevoeging op mijn ‘niet-vergeten-dat-dit-ook-kan-gebeuren-lijstje’…

Vrijwillig of gedwongen?

Vandaag interviewde ik een behandelaar voor mijn subsidieproject. Dit project gaat over hoe de poli Depressie het nazorg/herstel-traject voor cliënten kan verbeteren. Hierbij liet ik haar de resultaten van een brainstormsessie (of te wel een ‘focusgroep’) met cliënten zien. Ik opende mijn presentatie en het oog van de behandelaar viel direct op mijn functietitel: ‘vrijwillig ervaringsdeskundige’; rechtsonder op de sheet.
Lachend zei ze: “moet dat eigenlijk niet ‘gedwongen’ ervaringsdeskundige zijn?”

Er zijn o.a. op het wereldwijdeweb best wat discussies gaande over wanneer je jezelf ‘ervaringsdeskundige’ zou mogen noemen. Een omschrijving is: “De essentie van ervaringsdeskundigheid is het ‘vermogen om op grond van eigen herstelervaring ook aan anderen ruimte te bieden, mogelijkheden aan te dragen en perspectief te geven voor herstel’. (uit: Handreiking voor de inzet van ervaringsdeskundigheid vanuit de GGZ, 2012). Om jezelf een ervaringsdeskundige te noemen, is dus méér nodig dan het ‘hebben’ van ervaring. Open reflecteren op je eigen en andermans handelen is bijvoorbeeld een vaardigheid die nodig is voor een professionele ervaringsdeskundige.”

Het gaat mij er niet om of ik mijzelf nu wel of niet een ervaringsdeskundige zou mogen noemen. Ik hanteer de term ‘ervaringsdeskundige’ omdat dat een gangbare term is binnen de wereld waarin ik vrijwilligerswerk doe. Ik ervaar zelfs enige druk om de term ‘deskundig’ te gebruiken, omdat dit hoge verwachtingen kan opwekken. Want misschien ben ik wel minder ‘deskundig’ dan dat men op grond van mijn functietitel zou verwachten?

Ik vind het prettig om ‘vrijwillig’ expliciet te benoemen, omdat dat mij ruimte geeft om op mijn manier en tempo aan mijn project te werken. Het werkt voor mij drempelverlagend zou je kunnen zeggen. Voor mij is het een soort verwachtingsmanagement naar die ander toe, in de trant van: “ik doe wat ik kan, wanneer ik het kan, maar verwacht vooral niet teveel van mij…” Aan de andere kant zit ook de opmerking: “vrijwillig is niet vrijblijvend” in mijn achterhoofd en daarmee weet ik mijzelf meer dan genoeg druk op te leggen.

De opmerking die de behandelaar maakte over ‘gedwongen’, zette mij aan het denken. Ik heb er namelijk niet vrijwillig voor gekozen om ervaring te hebben met depressie. In die zin ben ik dus een ‘gedwongen’ ervaringsdeskundige, die zich vrijwillig inzet. Een interessant perspectief en een nog langere functietitel… Weglaten dus maar dat ‘vrijwillig’. Misschien ook maar gewoon weglaten dat ‘ervaringsdeskundige’.

Mijn naam is genoeg, ik ben tenslotte wie ik ben en ik doe wat ik doe.

UP

Gisteravond mocht ik op uitnodiging van de Socialrun naar de première van de theatervoorstelling UP. Ik voelde me vereerd dat ik hiervoor uitgenodigd was. De boeken PAAZ en UP, van Myrthe van der Meer, had ik al eerder gelezen. Ze gaan beiden over hoe Emma haar opnames in een psychiatrisch ziekenhuis heeft ervaren. De voorstelling begon en ik hoorde de mij bekende woorden vertellen door Yora Rienstra. Ik ging er nog eens goed voor zitten en lachte om de galenhumor van Emma.

Plotseling werd ik overvallen door emotie. Totaal onverwacht. In mijn hoofd vormde zich direct twee gedachtenstromen:
“Het is oke, want ik voel dus blijkbaar weer iets, dat is een soort van positief!” en
“Het is totaal niet logisch dat ik zo emotioneel word, want ik ken het verhaal en ik heb toch geen last van mijn opnames in 2016?”.

Het wegslikken van de tranen, tijdens de voorstelling, lukte mij nog net, al kwam er een moment dat ik serieus overwoog de voorstelling te verlaten. Ik keek naar links en rechts, zocht de uitgang en schatte mijn kansen in. Zo midden in de rij was ik kansloos. Vluchten was géén optie.

In een poging om enige controle over mijzelf te krijgen, analyseerde mijn brein verder en kwam tot de conclusie: Het is de kracht van de stem van Yora. De intonatie, het volume, de intensiteit waarmee zij de woorden uitsprak deed de emotie bij mij binnenkomen.

Herkenbare flarden van mijn opname kwamen voorbij:

Elke keer weer die vraag: “hoe voel je je?”. Elke keer moest ik weer een inschatting maken: ‘wat wil de verpleegster, psychiater, familie, vrienden, horen? Willen ze de korte versie of de lange versie?’ Ik wist niet hoe ik in woorden moest formuleren wat ik precies voelde. Ik bleef steeds hangen in vaagheden als: vermoeidheid, niet geslapen, pijn in mijn lijf, rot, ik-wil-dood. Mijn vaagheden zorgden voor onbegrip bij die ander. Emma beschreef het treffend: “Het is alsof je een blinde moet uitleggen hoe blauwe lucht eruit ziet” (‘terwijl je zelf slecht ziende bent’, voeg ik er dan aan toe).

De ‘hoe-voel-je-je-vraag’ deed me ook pijn. Steeds werd ik wéér geconfronteerd met mijn eigen rotte zelf, met het rotte gevoel, dat niet verdween, wat ik ook probeerde. Ik vond dat ik mijn omgeving te kort deed en zelfs teleurstelde. Iedereen deed zo  hun best om mij te helpen en al hun pogingen hielpen niet. Ik voelde hun pijn, ik kon hun pijn er niet bij hebben, ik kon hun pijn ook niet wegnemen.

De mede-patiënten die effect op mij hadden. De mede-patiënt die suïcide pleegde, met wie ik de week daarvoor nog cup-cakes had gebakken. Op wie ik soort van jaloers was dat zij de rust had, waarnaar ik ook verlangde. De andere mede-patiënt die uit het niets boos op mij werd, verbaal agressief werd, zodat ik liever niet meer aan de lunchtafel plaats nam en de huiskamer meed. De mede-patiënt die ik probeerde te troosten terwijl ze huilend haar vierkantjes over de afdeling liep. De mede-patiënt die mijn 1000-stukjes legpuzzel afmaakte.

De verpleging waarbij ik altijd langs mocht komen voor een ‘gesprekje’, als het niet meer ging. Maar hoe wist ik nu wanneer ik dan langs mocht komen? Wat is ‘niet-meer-gaan’? Is dat een huilbui hebben, is dat na x -uren wakker te hebben gelegen, mag het ook als ik me ‘gewoon’ rot voel? De verpleging die vaak een crisis moesten oplossen als ik dan eindelijk besloten had dat ik voldeed aan het criterium ‘het gaat niet meer’, en ik vervolgens weer afdroop naar mijn kamer zonder gesprekje.

De vrijheden die ik wel of niet kreeg: ‘je mag nog niet alleen naar buiten, want de psychiater moet je nog beoordelen’. Wat betekende dat ik afhankelijk was van de prioriteiten van de verpleging, voor wat frisse lucht en wat beweging.

Het pillen uur: “de regels zijn veranderd, de avondmedicatie moet nu vóór 21:30 uur genomen worden”. “Ook mijn slaappil?”, “ja, ook jouw slaappil”. Ik had überhaupt mazzel als mijn slaappil iets deed, maar als die dan wel zorgde dat ik op weg naar het niets vertrok, kwam de verpleging tussen elf en twaalf uur langs voor de nachtcontrole. Natuurlijk werd ik wakker van het gerommel van de deuren op de gang. Of ik lag volledig alert te wachten tot de nachtcontrole was geweest, voordat ik iets van rust kon vinden, tijdens het wakker liggen gedurende de nacht.

Die eeuwige vragenlijsten: Altijd vroeg mijn brein zich af, hoe moet ik deze vragen nu weer interpreteren? Hoe moet ik nu in godsnaam in een getal uitdrukken wat ik voel? Hoe weet ik wat ‘normaal’ is? Ik vul die lijsten vast verkeerd in. Als ik die lijsten niet goed invul, leidt dat tot de verkeerde conclusies. Als ik voor vandaag een 4 voor stemming invul, komt dat dan wel overeen met de 4 van gister? Hoe voelde ik mij gister überhaupt?

Het eindgesprek met de psychiater, waarbij ik aangaf dat verdere opname voor mij geen toegevoegde waarde had. Ik wilde naar huis. Depressief zijn kan ik ook heel goed thuis.

Tijdens het applaus lieten mijn tranen zich niet meer wegslikken, hoe hard ik dat ook probeerde, die huilbui kwam er nú aan. Ik voelde een hand op mijn schouder. Ik wilde nog niet terug naar de lobby, daar was het veel te licht en waren er veel te veel mensen. Ik vond een donker plekje tussen de coulissen en voelde een andere arm om mijn schouder. Ik kreeg de ruimte om de tranen te laten gaan, die zich niet meer tegen lieten houden. Ik voelde me zwak dat ik niet kon wachten met huilen tot ik alleen thuis zou zijn.

Na een paar minuten stopten de tranen en liepen we naar het licht in de lobby.

Het ‘gat’

Mensen kunnen mij niet bozer krijgen dan door te roepen: “ja, het is logisch dat je je rot voelt, het gat na ….(bijvoorbeeld: de Socialrun) zal wel groot zijn”. ‘Boos’ is een lastige emotie voor mij. Ik vind dat boosheid er niet mag zijn en ik doe over het algemeen mijn best die te onderdrukken. Wat natuurlijk niet lukt en ervoor zorgt dat de boosheid er op een onhandig moment vol uit knalt. Dus deze keer doe ik het anders. Ik schrijf er een blog over…

Die zin roept de volgende gedachtenkronkels bij mij op. Ten eerste: ik voel me rot, mijn omgeving koppelt dat aan de stilte na een storm DUS ik mag me niet rot voelen, want er is een goede reden dat ik mij rot voel.

Ten tweede: dat ‘gat’ was er vóór de storm (bijvoorbeeld de Socialrun) ook al. Dat ‘gat’ is er een groot deel van mijn leven al. Het voelt alsof de depressie weggewuifd wordt, als iets dat niet mag bestaan, maar wat er voor mij een groot deel van de tijd helaas nog is.

“Men” is geneigd een verklaring voor mijn stemming te zoeken. Want als de verklaring er is dan is er meestal ook wel een advies of een oplossing aan te koppelen. Ik zou bijvoorbeeld moeten kijken naar wat er wél allemaal goed gegaan is. Naar die mooie momenten, die er wel degelijk zijn en die ik zelf ook als waardevol heb ervaren. Het zoeken naar een verklaring is logisch dat heb ik zelf ook lang gedaan (en doe ik soms nog steeds), het helpt niet: het rotgevoel blijft.

Door een advies of oplossing zou ik me dan beter moeten voelen. Dát zorgt bij mij juist voor een versnelling van de neerwaartse spiraal: ik krijg ongevraagd advies, waar ik op dat moment niets mee kan. Ik voel me rot dat ik het advies niet aanneem en uitvoer of er zelfs afwijzend, kribbig op reageer. Ik voel me rot dat áls ik dat advies wél opvolg, ik me nog steeds rot voel en niet durf te zeggen dat hun advies niet helpt, omdat ik hen dan weer teleurstel.

Ik durf niet te zeggen dat ik verzuip in de chaos. Dat mijn brein overuren maakt, dat ik niet meer kan slapen, dat ik niet meer kan structureren, dat ik niets meer kan oppakken, dat alles een opgaaf is. Dat ik niet meer kan nadenken, niet meer kan schrijven, niet meer kan lezen, geen concentratievermogen meer heb, mezelf ‘er’ niet meer toe kan zetten.

De ‘beste’ opmerking die ik laatst kreeg was van een vriendin, een paar dagen na de storm van de Socialrun. Ze schreef me: “… haal het niet in je hoofd om streng op jezelf te zijn, dat het fout is het nu zo zwaar te hebben, terwijl je blij en trots zou moeten zijn door alles wat je bereikt hebt..”. Dat is een goed voorbeeld van steunende woorden, die voor mij wél helpend zijn. Ik voelde me erkend in mijn rotgevoel. Ook het binnenin verscheurd voelen, tussen wat ik zou moeten voelen (trots & blijdschap) en het feit dat ik dat niet meer voelde, die teleurstelling, verwoordde ze voor mij.

Ik baalde er de maandagavond na de Socialrun al zó van dat ik de blijdschap van zondagmiddag niet meer kon voelen. Ik kan naar die blijdschap kijken door foto’s en filmpjes te bekijken, maar ik kan het niet meer voelen. Ik ben een observator geworden. Dáár baal ik nog het meeste van. Ik had zó gehoopt dat het mooie gevoel deze keer nog even aan zou houden. Dat ik nog even zou mogen genieten van wat uren slaap, van de saamhorigheid, van de blijdschap, van het voelen. Het was allemaal al plotseling weer weg voor ik het door had. Ook al deed ik nog zo mijn best om ‘in het moment’ te blijven, om te blijven voelen.

Dát is wat ‘het gat’, de stilte na een storm, voor mij is. Ik val er nog vaak in. Elke keer moet ik weer de moed en kracht verzamelen om wéér uit dat gat te klimmen. Vaak denk ik: ik blijf deze keer liggen, ik kan het niet meer opbrengen.

Dus lieve mensen, met alle goed bedoelde opmerkingen: het is niet helpend om te zeggen dat het allemaal wel mee valt, dat het me ook deze keer wel gaat lukken om uit die diepe grot te klimmen.

Het is wél helpend er ‘gewoon’ te zijn, zonder goedbedoelde adviezen mét empathie, een luisterend oor of een knuffel.

De Socialrun

Als het onwaarschijnlijke, waarschijnlijk wordt

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat we op vrijdagochtend 20 september op het startterrein verzamelden. Nadat ik de startformaliteiten had afgerond, liep ik naar ons startrondje en ontmoette ik voor het eerst mijn laatste twee teamleden. Ik voelde gelukkig meteen een klik.

Tot mijn grote verrassing verscheen mijn zusje op ons startrondje om mij een knuffel te brengen en uit te zwaaien. We maakten een zussie-selfie om dit bijzondere moment vast te leggen. Nadat iedereen gereed was liepen we met z’n allen naar het startterrein voor een laatste koffie, broodje en de startfoto. Er hing een bijzondere sfeer op het startterrein. De DJ speelde precies de goede muziek. Ik voelde ‘het’ in mijn hele lijf. De emotie. Het feit dat we écht gingen starten met zijn allen, sloeg bij mij in als een bom. Het ‘onwaarschijnlijke’ was gelukt.

Eenmaal onderweg kreeg ik een ontroerend appje van mijn zusje, waarin ze vertelde het super bijzonder te vinden dat ze bij de start kon zijn én dat ze de ‘stoere zus’ van vroeger weer herkende. Dat zorgde voor stof tot nadenken, tijdens de eerste etappe…

Het was prachtig weer en het lopen ging heerlijk. Ik kwam al snel in het ritme van lopen, wisselen, kletsen en meerijden. Voor mij kwamen de moeilijke momenten veel eerder dan verwacht. Ze confronteerden mij met de dingen die ik nog steeds moeilijk vind: ‘Loslaten’, ‘Onzekerheid’ en ‘het niet aan durven geven wat ik nodig heb’.

Vrijdagmiddag had ik na het lopen van mijn etappe last van een hongerklop, omdat ik er niet aan gedacht had te lunchen tijdens het rennen. We kwamen aan op ons basiskamp en ik had verwacht direct te kunnen eten, maar de magnetron kon de bevroren pasta niet snel genoeg naar mijn zin bereiden. Ik werd humeurig naar mijn teamgenoten. Achteraf voel ik me daar rot over. Iedereen deed tenslotte zijn best, voor bijna iedereen was de Socialrun een nieuwe ervaring. Ik had ook zorgen of onze volgende loopster op tijd zou arriveren om aan te sluiten bij de volgende etappes, aangezien we sneller liepen dan verwacht. Ik had zorgen of de timing van de teamwissels zou kloppen. Ik kon me nog niet overgeven aan het ritme van de Socialrun.

Een ander moeilijk moment was tijdens mijn tweede etappe van vrijdagavond. Ik kreeg veel last van mijn enkel. Ik had zeker pijn verwacht, aangezien ik nog aan het revalideren ben van mijn enkeloperatie, maar niet zo vroeg al. De pijn overviel me en na mijn eerste shift kroop ik, verdrietig, stilletjes op de achterbank van het busje en zocht mijn pijnstillers. Nadat mijn vriendin klaar was met haar shift, deelde ik mijn zorgen over mijn enkel met haar. Het zou nog zo’n 30 minuten duren, voordat ik aan de volgende shift mocht beginnen, misschien moest ik een shift overslaan. Of wellicht moest ik een hele etappe skippen? Allerlei scenario’s speelden door mijn hoofd. #meedoen was toch winnen? Ik kon altijd wisselen met onze chauffeur. Maar ik wilde zo graag rennen! Mijn andere teamgenoten hoorden van mijn zorgen en dachten met mij mee. Zij stelden voor dat ik in plaats van twee kilometer shifts, anderhalve kilometers zou gaan rennen. Ik voelde me gesteund door mijn team. Ik besloot het te proberen. Tegen de tijd dat ik aan de beurt was, werkten de pijnstillers een beetje en ik rende mijn shift. Nog niet vol vertrouwen, maar het zou me in ieder geval lukken deze etappe uit te rennen. Daarna zou ik 5 uur rust hebben en zou ik kijken hoe het ervoor stond.

Moe en met zorgen over mijn enkel, kwam ik rond 01.00 uur aan in ons basiskamp en ging op zoek naar een slaapplek. Ik zag mensen op matjes en kussens op de grond in de brandweerkazerne liggen en ik zag mensen in onze campers liggen. Ik kon geen matje vinden en zag dat er nog twee zitjes in de camper niet omgebouwd waren tot slaapplek. Ik durfde niet midden in de nacht herrie te maken om de zitjes om te bouwen tot een slaapplek. Ik was bang slapende mensen wakker te maken. Ik pakte mijn slaapzak, vond een losliggend zitkussen en bracht de volgende twee uren door met wat oncomfortabel liggen en onrustig heen en weer door de kazerne lopen. Ik was boos op de basiskampleider. Ik was boos op mezelf dat ik niet toch een verdeling van de slaapplekken in het draaiboek had opgenomen. Nu ben ik vooral boos op mezelf dat ik niet gewoon herrie had gemaakt om een bedje voor mezelf om te bouwen. Volgens mij sliep er trouwens vrijwel niemand met de compressor van de brandweer die om het half uur op volle sterkte aansloeg…

Heel vroeg op zaterdagmorgen (of midden in de nacht, zo je wilt..) was het tijd voor een oppeppende reuzenbeker cappuccino. We sprongen in het busje op weg naar de volgende teamwissel, die over een klein uurtje zou plaatsvinden. Ik probeerde het nare gevoel wat ik had van me af te schudden en klaagde er in de auto op los. Mijn teamgenoten lieten me klagen en reageerden begripvol. Met één teamlid sprak ik af dat hij mij na de tweede shift zou helpen herinneren om wat te eten. Ik zou hem helpen herinneren om te blijven drinken. Ik sprak met mezelf af dat dat ik in het volgende basiskamp hoe dan ook een plekje voor mezelf zou claimen. Ik haalde diep adem en probeerde mijn boosheid van mij af te zetten. Gespannen startte ik mijn eerste shift. Gelukkig deden pijnstillers en mijn enkelbrace hun werk. Langzaam kreeg ik het vertrouwen dat ik ook deze etappe zou kunnen rennen en kon ik genieten van de koude zaterdagochtend. Samen met mijn teamleden zagen we een prachtige combinatie van nevel en zonsopkomst. Ik begreep het weer. Vanaf dat moment werd het simpel: af en toe een stukje rennen én iets beter voor mij zelf zorgen.

In de loop van zaterdagochtend kwamen we aan op het volgende basiskamp, gelegen op een rustige mini-camping. Er stond een tafel met eten & drinken voor ons klaar. Ik at een zuiveltoetje en nam een wonderdrankje (glas chocomelk). Ik liep weg uit een confrontatie met de woorden dat het beter voor iedereen was als men mij een uurtje met rust liet. Ik vond mezelf egoïstisch en een chagrijn, maar ik wist ook dat ik tot rust moest zien te komen. Ik vond mijn slaapzak en ging heerlijk boven in de camper een uurtje liggen rusten. Ik sliep niet, ik lag wel lekker en ik rustte uit. Ik hoorde gemoedelijk gekeuvel van mijn teamgenoten om mij heen. Ik voelde me wel soort van ‘herboren’ toen het tijd was om de volgende etappe te starten. Mijn energie kwam terug. Natuurlijk waren er nog steeds frustraties, maar die kon ik veel beter verwerken.

Ik bereidde mij voor op de beruchte zware zaterdagnacht etappe, bij elke shift dacht ik: nu zal het wel zwaar worden. Maar ik kreeg het niet meer zwaar. Het lopen ging als vanzelf. Een vriendin maakte mij deel van haar vreugde, dat haar vriend zomaar een eind gereden had om haar even te kunnen aanmoedigen onderweg. Ik was haar dankbaar dat ze haar ontroering op dat moment met mij deelde. Het voelde alsof ik een cadeautje kreeg. Het was prachtig om laat in de avond met het pontje over te varen en door Haarlem te rennen.

Gedurende de gehele Socialrun bleef ik verrast worden door de sfeer:
De 9-persoonsbusjes van andere teams die we steeds tegen kwamen, het toeteren en zwaaien onderweg, de motorrijders van de Socialrun die af en toe kwamen kijken of het nog goed ging met ons. Mijn teamgenoot die in de koude nacht steeds ongevraagd klaar stond met mijn donsjas na mijn shift. De mensen langs de kant, de doorkomsten onderweg, waar we vaak net iets te vroeg doorheen kwamen voor het grote feest, maar waar we zeker volop werden aangemoedigd. De teamwissels, waarbij we even kort contact hadden met het andere team.

Voordat ik het doorhad was het alweer de laatste etappe van team A. Gelukkig hadden mijn teamleden dat beter door dan ik en werd er een plan gemaakt, zodat iedere loper bij de laatste shiftwissel werd toegejuicht door ons team. Van de allerlaatste teamwissel maakten we een feestje.

Wij, als team A, gingen vast vooruit naar Soest, terwijl team B de laatste etappe liep. Daar wachtten ons een heerlijk ontbijt met pannenkoeken en eieren met kaas en spek. Relaxt en in het zonnetje wachtte ik tot het tijd was team B feestelijk binnen te halen en met zijn allen te finishen.

Opeens kreeg ik een appje van team B. Mijn oom en tante bleken onderweg langs te de route te zitten. Ze waren niet te missen met hun aanmoedigingsbord en gejuich, toen team B voorbij liep. Gauw stuurde ik hen een appje. Dat ik al in Soest was en dus niet voorbij zou komen.

Team B had vleugels gekregen, het was al snel tijd om naar de weg te lopen en ze daar op te wachten, zodat we met zijn allen konden finishen. Ineens zag ik mijn oom en tante op het finishterrein. Ze bleken helemaal naar Soest gekomen te zijn om de finish mee te maken. Ondertussen ging de tamtam rond: “verzamelen, team B komt eraan!”

Het is een onbeschrijfelijk gevoel wat er door mij heen ging, toen we met zijn allen naar het grote podium renden. De tranen stonden in mijn ogen. Wat een groot feest. De DJ was weer daar, met de juiste muziek op het juiste moment. We kregen de medailles omgehangen door Frank en Nienke, tezamen met de bijbehorende knuffels. Ik zag mezelf rondspringen op het podium, ik ging los met mijn team, iets wat ik nog nooit gedaan had. Ik voelde ‘het’ diep in mijn lijf. Frank riep mij naar beneden en samen openden we een fles Jip & Janneke champagne, ik nam een slok en gaf de fles door aan mijn team. We hadden wel uren op dat podium kunnen blijven staan dansen…

Eenmaal van het podium af, voelde ik de behoefte om elk teamlid een knuffel te geven en te bedanken voor zijn/haar bijdrage. Ik vond ook dat ik bij mijn oom en tante moest zijn. Tenslotte waren ze helemaal voor mij naar Soest gekomen. Ik voelde me wat verscheurd, maar besloot dat ik dit moment het allerliefste met mijn team wilde feest vieren. En feest hebben we gevierd!

Terug op ‘ons’ rondje wachtte mij nog een verrassing. Een vriendin had een fles heerlijke champagne meegesmokkeld in de camper. Zo kwam het dat ik mijn allereerste fles champagne open mocht maken, gelukkig kreeg ik duidelijke instructies van mijn teamgenoten en morste ik bijna geen druppel.

Het was heerlijk, champagne zo direct uit de fles op mijn slippers…

Het was heerlijk, de Socialrun, de verbondenheid…

Oefendag

Afgelopen zondag was het zo ver: Oefendag met team Fit4Fun voor de Socialrun. Het plan was als volgt: team A en team B leggen ieder een etappe van 50 km af, waarbij team B tien minuten later start dan team A. (In tegenstelling tot de Socialrun liepen we dus gelijktijdig). De lopers wisselden elkaar elke twee kilometer af, de fietsers fietsten de gehele etappe en de chauffeurs en navigators deden hun uiterste best om ons op koers te houden. Ondertussen ging het basiskamp team aan de gang met het opzetten van de tent(en) en zorgden voor lekkere hapjes en drankjes.

In een eerder blog schreef ik dat ik het lastig vond om me niet met de route en navigatieperikelen te bemoeien. Dus dat had ik ook niet gedaan (‘exposure’ heet dat in therapietaal). Het enige wat ik gedaan had was de route gedownload op mijn telefoon om de navigatie app een beetje te leren kennen. Rond 9:00 uur kwam ik samen met twee teamgenoten aan op de verzamelplaats. Iedereen was vol goede moed én het was prachtig warm weer. Ik was enigszins ontroerd door het zien van alle mensen: het was bijna iedereen gelukt te komen! Ik maakte een praatje met de nieuwe teamleden en probeerde er voor te zorgen dat iedereen op zijn gemak was.

Het was tijd om nog even mijn teamleidersrol te pakken. Ik positioneerde mijzelf letterlijk in het midden van de cirkel met teamgenoten. Zo letterlijk in het middelpunt staan, was niet echt fijn. Ik had daardoor mensen in mijn rug die ik niet kon zien. Ik verplaatste mijzelf naar de rand van de cirkel en stelde voor maar eens te beginnen. Er ontstond een klein probleem toen bleek dat we in team A een loper te veel hadden om in de rust op de achterbank van de bus te kunnen zitten. Even was er paniek bij mij: “hoe los ik dit op?”. Met twee lopers tegelijk lopen, was een optie die bij mij op kwam.

De kracht van het team kwam direct naar voren: Waarom zouden we niet gewoon de extra loper op de vouwfiets mee laten rijden? Dat is nog goed voor de spieren ook! In minder dan een minuut was er een nieuw wisselplan uitgewerkt en voor ik het door had gingen we op weg. Ik was teamleider af en werd loper nummer 4. Perfect. Ik nam plaats op de achterbank en maakte kennis met een nieuw teamlid. Het bleek de perfecte modus. Stukje rijden, uitstappen, wachten op de wissel van loper 2 met loper 1, van loper 1 met vouwfietser en weer instappen in de bus voor de volgende stop. Bij elke wissel veranderde de samenstelling van mensen in de bus. Bij elke wissel bleek er wel weer wat te kletsen. De sfeer was gemoedelijk. Het verraste mij hoeveel tijd er bleek te zijn om rustig te kunnen wisselen, door te rijden naar de volgende stop en weer te wisselen. Het gehaaste gevoel, wat ik verwacht had, bleef gelukkig uit.

Als loper voelde ik me in de watten gelegd, ik hoefde alleen maar bij mijn fietser te blijven. De ene keer was fietser 1 bij mij, de andere keer fietser 2. Een richtingswijziging werd op tijd aangekondigd, mijn tempo werd in de gaten gehouden én één-letter-grepige antwoorden waren prima.

De humor in ons team was continu aanwezig. Ik weet nog steeds niet of er nu wel of niet kauwgomachtige ophanghaakjes te koop zijn… Ik kon het niet nalaten om bij een cafétje langs de route meeneemkoffie te vragen voor de chauffeur en navigator, terwijl ik even van het toilet gebruik maakte. Of het door die cafeïne kwam, valt niet te achterhalen; maar ruim over de helft stonden we op de loper en fietsers te wachten. En te wachten…

Tot de telefoon van de navigator ging. Het was fietser 1: “jullie moeten doorrijden, wij zijn jullie al lang voorbij!”. De navigator dacht dat dit om team B ging en nam haar melding voor kennisgeving aan. Wij wachtten nog steeds op onze fietsers en de loper. Zouden ze stilstaan achter één van de vele bruggen die omhoog bleken te staan op onze route? We wachtten nog even… Toen kon ik me niet langer inhouden en belde fietser 1. Ik kreeg als antwoord: “ik zei net tegen de navigator dat jullie door moesten rijden!” Het kwartje viel, ons team stapte in de auto en haalde onderweg team B in (waar komen die nu vandaan?). We waren verbaast hoe ver onze fietsers en loper al gekomen waren. Uiteindelijk haalden we ze bij en wisselde van loper. Weer bleek het oplossend vermogen van ons team. De loper en vouwfietser hadden al gewisseld, zodat de 2 kilometers niet veel meer dan 2 kilometers waren geworden.

Inwendig vervloekte ik mezelf: “Ik had tóch moeten kijken naar de risicopunten van de route! Daar waar de auto een andere route als de fietser moest rijden, dan had ik dit kunnen voorkomen”. Het team bleef verbazingwekkend rustig. Niemand werd boos op mij, niemand was geïrriteerd dat het niet helemaal volgens plan liep. Ik bedaarde weer wat en dacht: “zo kan het dus ook…”. Tijdens de volgende stop analyseerde de navigator en chauffeur met elkaar wat er mis gegaan was en zaten we al snel weer in het ritme van rijden, rennen, fietsen, kletsen en lachen. De tijd en de kilometers volgen voorbij, sneller dan verwacht waren we weer terug bij het startpunt en werden feestelijk ingehaald. Het basiskamp team wachtte ons op met heerlijk eten en drinken én een opgezette tent. Er werd nagepraat en nagelachen. Het was een mooie dag.

Wat ik er van heb opgestoken is dat de kracht van het team groter is dan ik dacht én dat er op het dashboard van het busje een namenlijstje van team A moet komen…

Socialrun: hoe het begon

Het was september 2018 en ik had mij net opgegeven om de van-Dam-tot-Damloop te lopen voor stichting MIND. Kort daarna, zag op Twitter een oproep voorbij komen: ‘loper gezocht voor de Socialrun’. Dat leek mij wel wat. Helaas is de Socialrun in het zelfde weekend als de van-Dam-tot-Damloop. Op dat moment besloot ik dat ik in 2019 met de Socialrun mee zou gaan doen. Als loper, verder niets: geen georganiseer, geen verantwoordelijkheid, alleen rennen.

Na het zien van de foto’s van de Socialrun op Facebook, wist ik het zeker: ik wil meedoen! Echter ik kende nog geen mensen, zou ik wel een team kunnen vinden? Zo ontstond het idee om ‘dan maar’ met een eigen team mee te doen. Ik had geen idee waar ik aan begon, maar besloot het gewoon te proberen. Vanaf dat moment werd mijn persoonlijk missie: #meedoeniswinnen.

Ik vroeg al mijn vrienden of ze mee wilde doen, ik plaatste berichtjes op Facebook en Twitter en ik maakte me druk over de financiën. In het ergste geval zou het me niet lukken een team rond te krijgen en dan zou ik het inschrijfgeld kwijt zijn, ik besloot dat risico te nemen. Langzaam meldden zich wat vrienden, er kwamen vrienden van vrienden, er kwam een deelnemer via Twitter en zo was er op 25 november 2018 de eerste informatiebijeenkomst met een select groepje mensen. We maakten kennis met elkaar en we maakten plannen. Gedurende de daarop volgende maanden, trokken mensen zich terug en sloten er (on)bekende mensen aan.
Misschien was het onmogelijke toch mogelijk.

Ik had sponsorgeld nodig, want ik wilde per se mijn teamleden niet om een verplichte eigen bijdrage vragen. Iedereen die mee wilde doen, moest mee kunnen doen. Deze instelling zorgde ervoor, dat ik mijzelf wel veel druk oplegde. De druk om het perfect te regelen voor mijn team. Ik wilde dat zij in een gespreid bedje kwamen. Ik vond dat ik alles zelf moest regelen. Ik voelde verantwoordelijkheid en druk. Er kwamen wonderen op mijn pad: Ik werd verrast door een grote donatie, ik werd verrast door een teamlid, dat zijn zakelijk netwerk aansprak en heel veel sponsorgeld binnen haalde. Een ander teamlid regelde boodschappengeld bij de appie.
Het begon erop te lijken dat het onmogelijke mogelijk werd.

De Socialrun is een mooi project om te zien welke persoonlijke ontwikkeling ik zelf de afgelopen jaren heb doorgemaakt. Wat ik al geleerd heb en wat ik nog moet bijleren. Elke vraag of verzoek dat ik aan een teamlid doe, voelt verschrikkelijk. Ik heb dan het gevoel dat ik de ander enorm belast. Dat de ander dan een negatief gevoel zal ervaren en dát wil ik tot elke prijs voorkomen. Ik kan het bijna niet geloven als iemand aanbiedt iets te regelen, waar ik zelf enorm veel moeite mee heb. Automatisch ga ik er dan vanuit dat die ander die taak ook wel vervelend zal vinden.

Ik merk dat ik veel (zo niet alles…) op mij persoonlijk betrek. Een afwijzing op een sponsorverzoek of een afwijzing op mijn uitnodiging om in het team deel te nemen, voelt als een klap in mijn gezicht. Het terugtrekken van mensen voelt als persoonlijk falen, het voelt als een afwijzing. Natuurlijk is het niet persoonlijk, maar zijn het de omstandigheden die de betreffende mensen deden besluiten zich (tijdig!) af te melden.

Het voordeel van zaken persoonlijk opvatten is dat iets positiefs als een cadeautje voelt. Bijvoorbeeld als een nieuw teamlid zich aanmeldt. Of als het een teamlid gelukt is een sponsorbijdrage los te krijgen. Als ik een e-mail krijg met de inmiddels legendarische woorden: “eigenlijk sponsoren we niet, maar we vinden je motivatie en de Socialrun zo goed, dat we deze keer willen helpen”. Het is een cadeautje als teamleden zeggen het leuk te vinden om de wissel- & rustplaatsen te regelen en daarvoor in een dag door Nederland te rijden. Het is een cadeautje als een ander teamlid meldt het helemaal niet erg te vinden om telefonisch iets te regelen. Dan voel ik me energiek en high.

Er zijn ook momenten dat ik niet meer zie zitten. Dat ik het overzicht verlies. Dat ik bang ben dat ik de verkeerde (financiële) keuzes heb gemaakt. Dat ik niet genoeg spullen of geld voor het team heb. Dat er van alles ronddraait in mijn hoofd, maar niets een plekje vindt. Dan weet ik dat ik er voor moet gaan zitten en moet proberen op te schrijven wat er ronddraait. In een poging orde in de chaos te scheppen. Dat betekent een draaiboek uitwerken en de begroting bijwerken. Dat betekent de logistiek achter team A, B, basiskamp in schema zetten, zodat ik kan zien dat het klopt. Dat betekent investeren van tijd en energie. Energie die mij op zo’n moment ontbreekt. Dat betekent ook dat er daarna weer rust is in mijn hoofd.

Helaas kan ik niet alles vatten in een schema of draaiboek. Hoe goed ik het ook probeer voor te bereiden en te plannen, er blijven onzekerheden. Onzekerheden zijn er om te delen, heb ik gemerkt. Het delen van onzekerheden kan mij opluchting geven. Een bemoedigend woord ontvangen van een teamlid, doet wonderen. Het geeft me het gevoel dat ik niet alleen ben met mijn onzekerheden. Dat ik mag delen dat ik ‘zwak’ ben en dat ik behoefte heb aan bevestiging en/of steun op zo’n moment. Het is fijn om te merken dat ik er mag blijven zijn, mét mijn onzekerheden. Ook al ervaart die ander niet dezelfde onzekerheden. Dat geeft kracht.

Komend weekend oefent team Fit4Fun 50 km lang met rennen, fietsen, rijden en ondersteunen. Het maken van de oefenroute heeft een teamlid op haar genomen. Ik vind het vreselijk lastig om mij hier niet tegen aan te bemoeien. Ik onderdruk de neiging om de route tot in detail te gaan bestuderen. Ik geef me over aan mijn onzekerheid, maar ik geef me vooral over aan de kundige handen van de navigators in ons team.

Teamkracht gaat mij helpen.
Het onmogelijke is mogelijk!

Sportschoolangst

Ik ging vanmorgen met lood in mijn schoenen naar de sportschool om mijn revalidatieprogramma voor mijn enkel af te werken. Het werd een zware training.
Ik voel me nooit zo op mijn gemak in de sportschool. Al die ogen die naar mij lijken te staren. Het gebrek aan contact. Allemaal in de zelfde ruimte, ieder voor zich bezig.

Ik begin op de trap: tenen op de tree, hakken laten zaken en dan uitstrekken op mijn tenen. Uiteraard willen er mensen langs als ik op de trap sta. Ik zeg gedag en laat een man passeren, die mij gedag terug zegt. Ik denk: “hé, een bekend gezicht”, maar ik kan het gezicht niet plaatsen. Even was er contact, ik voelde me niet helemaal meer alleen.

Tussen de series door, loop ik heen en weer, over de fysiomat van 10 meter. Ik voel me bekeken. Maar ik doe braaf wat de fysio mij gezegd heeft. Ik loop weer terug naar de trap. Nu staat daar iemand op ‘mijn’ plek! Even weet ik niet wat te doen. Zal ik vast een andere oefening gaan doen en later terug komen? De trap is breed genoeg, er passen best twee mensen op. Ik merk dat ik letterlijk moeite heb om ruimte in te nemen, bang om een ander tot last te zijn. Ik besluit er tóch naast te gaan staan en maak even kort contact met een grapje. Dit verlaagt mijn spanning iets. Eigenlijk vraag ik op deze manier toestemming om ruimte op te trap te mogen innemen, realiseer ik me nu. Ik maak mijn oefening af en ben weer een stapje dichterbij herstel.

Tot mijn grote opluchting constateer ik dat de ‘leg press’ nu wél vrij is, net was ie nog bezet. Ik sprint er bijna heen, hoe eerder ik klaar ben met mijn oefeningen, hoe sneller ik hier weg ben. Ik kom een beetje tot rust op de ‘leg press’. Het apparaat staat in een hoek en er zijn geen andere mensen in de buurt.

Voor de volgende oefening heb ik het ‘hoge steps’ bankje nodig, ik kijk rond en zie het bankje in de buurt van twee dames staan. Ze lijken het bankje niet te gebruiken, er ligt een handdoek, flesje water en een telefoon op. Weer krijg ik de neiging weg te lopen en iets anders te gaan doen, zodat ik de dames niet hoef te vragen of ze hun spullen eraf willen halen. Ik ben bang voor hun reactie. Straks heb ik het verkeerd gezien en waren ze wel met het bankje bezig. Ik onderdruk mijn vluchtimpuls, loop op de dames af en vraag vriendelijk of ik het bankje kan gebruiken. Uiteraard is dat geen enkel probleem en ik voel me opgelucht.

De laatste oefening is vol ‘exposure’, zoals dat zo mooi heet. Een elastiek om mijn enkels, in de schaatshouding gaan staan en dan zijwaarts stappen. Niet de meest charmante houding. Het ergste is dat dit op de fysio mat moet, in het gangpad. Aan twee kanten staan apparaten met mensen erop. Gelukkig niet veel mensen maar toch… Ik kom er achter dat ik de oefening het beste kan doen, door stug naar de grond te blijven kijken en te focussen. Ik voel ogen in mijn rug prikken. Maar liefst vier keer moet ik heen en weer. Het akelige gevoel bekeken te worden, zakt gelukkig iets.

Ter afsluiting mag ik een stukje wandelen op de loopband. Het voelt als een afgang, ik wil rennen, maar kan dat nog niet.” Iedereen zal vast denken dat ik een slechte conditie heb, als ik alleen maar wandel”, gaat er door mijn hoofd. Ik hou mezelf voor dat ik hier mijn eigen doelen heb, net als iedereen. Het is onwaarschijnlijk dat iemand überhaupt een mening heeft over wat ik daar uitvoer. Dat helpt een klein beetje. Ik zet de loopband op 6 km/uur, met een helling van 5%, zo loopt ik in 10 minuten wat onrust uit mijn hoofd.

Ik weet dat dit sportschooltraject erbij hoort, wil ik weer kunnen rennen. De fysio heeft me beloofd dat ik komende week op de crosstrainer mag. Dat motiveert me, de crosstrainer is de eerste stap naar het rennen én het weer opbouwen van mijn conditie.

Pas veel later bedenk ik mij dat de man, die mij bekend voor kwam, Gerald Joling (of zijn dubbelganger) was…

Wittebroodsweken

Eigenlijk ben ik best trots op mezelf hoe ik de eerste weken na mijn enkeloperatie ben doorgekomen. De pijn in mijn enkel viel mee en ik besloot dan ook mijn pijnstillers af te bouwen. Onaangenaam verrast was ik, toen ik een dag later veel pijn in mijn polsen en armen ervaarde. Ik had er van tevoren rekening mee gehouden dat mijn, wat krakkemikkige, lijf zou gaan protesteren. Sterker nog, ik had voordat ik geopereerd werd mijn lijf voorbereid op de belasting van krukken. Ik had echter niet verwacht dat de pijnstillers zijn werk zo goed zouden doen, dat ze pijn in mijn armen zouden maskeren. Ik besloot weer terug te gaan naar de maximale dosis, ik hoefde niet onnodig te lijden had ik trots besloten. De pijn in mijn handen verdween wat naar de achtergrond. Mijn depressie kwam helaas langzaam maar zeker weer naar de voorgrond. De wittebroodsweken bleken voorbij…

Ik sprak vorige week mijn therapeut over mijn stemmingsdaling. Mijn therapeut gaf aan dat zij vond dat ze mij niet goed genoeg had voorbereid op de stemmingsomslag die onvermijdelijk zou volgen. Ik vond dat dat haar verantwoordelijkheid niet was. Bovendien hadden we er uitgebreid bij stil gestaan en alternatieven bedacht. Ik vond (en vind) niet dat zij anders had moeten handelen. Zij vond dat wel. Zo ontstond er een gesprek, zij gaf mij de ruimte om door te vragen. Ik vroeg haar of ze zich schuldig of verantwoordelijk voelde. Ze gaf aan dat inderdaad zo was. Ik vond dat vreselijk om te horen, het is mijn probleem en ik wil niet dat zij zich daardoor rot voelt. Ze gaf aan dat gevoelens er nu eenmaal bij horen in het contact. Ook als dat minder prettige gevoelens zijn. Ik voelde me schuldig dat zij ‘last’ ervaarde. Ze gaf me duidelijk aan dat ze het kon verdragen. Ze ervaarde last, maar ze kon ermee omgaan. Ik hoefde haar ‘last’ niet op mijn bordje te nemen. Ik kon haar ‘last’ niet voorkomen. Haar antwoord zorgde voor een enorme huilbui bij mij. Ik kon gewoonweg niet geloven dat zij zo volhardend haar verantwoordelijkheid in mijn lijden nam. Ze kon mijn stemming niet veranderen, ik voelde me wél gesteund en ik was oprecht ontroerd.

Diezelfde avond zat ik thuis op de bank. Ik voelde mijn stemming scherp dalen tot ver onder het diepvriespunt. Mijn doodswens kwam ineens in volle hevigheid terug. Ik schrok er zelfs een beetje van. Het is al een aantal maanden geleden dat ik zó sterk aan de dood dacht. Het is een tijdje best goed gegaan. Was dit dan het punt, waarop ik toch zou besluiten verder te willen gaan met het euthanasietraject?
Zoals ik de afgelopen jaren vaak gedaan heb, parkeerde ik ook deze keer mijn wens. Ik sprak met mezelf af dat ik mijn doodswens er mocht laten zijn, en dat als deze over een maandje nog zo sterk zou zijn ik er aandacht aan mocht geven. Ik overdacht de afgelopen dagen. Ik had veel op mijn krukken gelopen, want ik had best veel afspraken. Ik had ook geëxperimenteerd met hulp vragen, achteraf vond ik dat ik me als een prinses had gedragen. Ik had me laten rijden, terwijl ik het ook zelf gekund had.

Die week had ik een vriendin gevraagd mij te komen ophalen en thuis te brengen, omdat ik de afstand naar de bushalte te ver vond. Ik voelde mij schuldig. Ik had haar immers twintig minuten heen en terug laten rijden, alleen om mij op te halen, voor mijn gemak. Ik appte haar. Ze gaf me de steun en bevestiging die ik op dat moment nodig had. Ze schreef me: “Je hebt me niet láten rijden, ik heb je met alle liefde aangeboden je te op te halen als dat voor jou makkelijker zou zijn. Ik deed het graag voor je”.

Ik ging die avond slapen met een zwaar gemoed, ik nam een slaappil in. Tot mijn grote verassing voelde ik mij de volgende ochtend een stuk beter. Dit was mij nog nooit overkomen! In een paar uur van zeer depressief naar redelijk. Blijkbaar kan dat, ook bij mij… Het was een opluchting. Met frisse tegenzin ging ik naar de afspraken van die dag.

’s Avonds merkte ik een vreemd gevoel op in mijn handen. Ik werd bang. Ik had weinig kracht meer in mijn handen. Ik kon vrijwel niets meer vasthouden. Ook de coördinatie was verstoord. Het typen op de laptop ging moeizaam, het aansturen van mijn vingers moest ik bijna bewust doen. Een gevoel van paniek overviel me. Wat als dit nog erger werd? Ik raadpleegde een vriendin van me, die behalve vriendin ook arts is. Samen kwamen we tot de conclusie dat dit overbelastingsklachten waren. Dat ik hier niets aan kon doen, behalve heel veel rusten.

Ik ben bang en enorm gefrustreerd. Ik kon al geen wandelingetjes meer maken, nu kon ik ook mijn handen nauwelijks meer gebruiken. Ik kon mijn hoofd niet meer leeg schrijven. De afgelopen dagen lang keek ik heel veel Netflix en legde ik mijn boek op een kussen om te lezen. Ik zette mezelf op een dieet van 30 minuten op de laptop/telefoon per dag, ik bestelde okselkrukken bij de thuiszorgwinkel en ik zegde niet noodzakelijke afspraken af.

Mijn lijf was onrustig, kriebelde en wilde in beweging komen. Het was en is ontzettend lastig om mee om te gaan. Ik vind het moeilijk om met tegenslagen om te gaan. Soms denk ik, na zorgvuldige planning, een weg gevonden te hebben en dan blijkt er toch onverwacht een wegversperring te staan. Ik wil die wegversperring negeren er dwars doorheen gaan. Kiezen voor de omweg, het is niet mijn eerste keuze, wellicht wel een betere…