Soms komen dromen uit!

Uren zou ik er nog wel willen blijven. In de flow. De toestand waarin ik niet nadenk, er niets om mij heen bestaat en ik helemaal in mijn cocon zit. Een toestand van balans, van vrede in en met mezelf. Een toestand die ik zou willen begrijpen, die ik reproduceerbaar zou willen maken. Ik zou er kunnen willen instappen wanneer ik daar behoefte aan heb. Echter de flow is een cadeau. Het komt wanneer het komt. Onverwacht. Als een droom die uitkomt.

Afgelopen weken bevond ik mij in een toestand van uitputting. Mentaal en/of fysiek, ik kan daar geen onderscheid tussen maken. Ik had overleg met mijn psychiater over het stoppen van medicatie nummer zoveel. De medicatie die helaas voor mij niet bracht waar ik op hoopte. Ik vertelde hem dat ik de afgelopen weken zo extreem moe ben, dat het me overvalt. Dat ik méér huilbuien heb en dat ik niet weet wat de oorzaak/gevolg relatie is. Dat ik er van baal dat ik de energie die ik soms ineens lijk te hebben, ineens ook weer weg is zonder dat ik begrijp wat ik fout doe.

Hij legde mij uit dat ik op mijn ‘minder slechte’ dagen waarschijnlijk ál mijn energie tot ver in de reserve opbrand, zodat er weer veel slechte dagen nodig zijn om enigszins te herstellen. Hij legde me ook uit dat ik moet leren wat mentale energievreters zijn en hoe ik die eindeloze gedachtestromen kan stoppen.

Ik dacht na over wat hij me vertelde en hoe zelf voor een betere energiebalans kan zorgen. Het enige wat ik zelf kan bedenken ligt op het fysieke vlak. Wél blijven hardlopen en de kilometers maken, maar niet met hoge hartslag trainen om zo beter in balans te komen. Accepteren dat de snelheidsprogressie voorlopig uit zal blijven of dat ik zelfs weer langzamer word, valt me zwaar. De hoop dat dit kan bijdragen aan een betere energiebalans geeft me kracht om toch op lage hartslag te gaan trainen.

Zorgen voor een betere mentale energiebalans vind ik moeilijker. Kennelijk ben ik sneller en vaker overprikkeld dan ik in de gaten heb. Mijn psychiater gaf me de tip om mijn hersens aan het werk te zetten als ik weer in een gedachtestroom vast zit. Bijvoorbeeld een moeilijke sudoko doen om de hersenen te resetten.

De afgelopen twee dagen, probeer ik bewuster te letten op wat ik doe. Korte mentale pauzes nemen tussen wat ik doe. Niet mezelf van het ene in het andere storten. Niet én een kop thee drinken én op mijn telefoon een spelletje doen én TV kijken. Rustig de tijd nemen om aan tafel te eten. Rustig een boek lezen in mijn hangmat. Rustig mijn telefoon checken. Niet ‘alles’ tegelijk maar stap voor stap. Een ademhalingsoefening tussendoor doen. Ergens vind ik deze aanpak blasé en suf. Ik doe toch al de hele dag ‘niks’, hoe kan ik mezelf daar dan mee uitputten?
Ik zal er niet ineens bakken energie aan over houden. Het zal lang duren voor dat ik effect merk.  Ik hoop wel dat ik zo genoeg basisenergie kweek om niet steeds in oude patronen te vervallen en zo te blijven hangen in de grote lamlendigheid.

Vandaag mocht ik weer een rondje rennen. Rustig door het Amsterdamse bos dwalen, op lage hartslag was het plan. Sterker nog het plan was: ‘op zoek gaan naar balans’. De eerste kilometers voelde zwaar ondanks het langzame tempo. Het ‘lekkere’ gevoel kwam maar niet. Ik begreep er niets van: ik liep toch langzaam? Ik werd er wat bozig van. Ik hou van snel resultaat, ook al weet ik ergens wel dat het niet zo simpel is… Na een kilometer of vijf begon ik wat lekkerder te rennen. Onder het lopen droomde ik van een groot glas koude cola. Wie weet was de kiosk bij de “grote Vijver” wel open? Na een kilometer of zeven liep ik rond de grote Vijver, ik zag de kiosk én er zat een dame naast. Ik vroeg haar of ze open was. “Jazeker” zei ze. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, soms komen dromen uit!

Meteen diende zich een ‘probleem’ in mijn hoofd aan. Ik zag die koude cola al aan mij voorbij gaan. Ik had namelijk geen pasje bij me, alleen een briefje van tien. De dame vond het helemaal geen probleem, mijn glimlach kwam terug. Ik kocht één cola en betaalde er twee. Dat kleingeld zou toch maar rammelen en zij kon wel een extraatje gebruiken, bedacht ik. De dame was verrast en zei “als je volgende keer weer langs komt dan staat er nog een cola voor je klaar”. 

Of het nu kwam door de vriendelijke woorden van de dame of door even het contact maken met een medemens, ik voelde me ‘lichter’. Het lukte me mezelf een pauze te gunnen door te gaan zitten op het grasveld, de zon te voelen, de wind te voelen én mijn koude cola te drinken. Het duiveltje op mijn schouder probeerde het nog te verpesten: “het is een training, je kan niet zomaar even stoppen, dat is zwak, je verpest je training zo”. Ik sloeg het duiveltje met een klap van mijn schouder. Ik kan wél zomaar stoppen. Het gaat niet zozeer om de training het gaat om het vinden van balans.

Na een korte pauze stond ik op en rende weer verder. Het rennen voelde meteen anders. Ik voelde me rustiger, beter in balans. Ik hoefde niet eens veel moeite te doen om op lage hartslag te blijven rennen. Ik vond nog wat bospaadjes die ik niet kende. Het maakte me niet zoveel uit waar ik liep en hoe ver ik zou lopen. Eigenlijk wilde ik eeuwig door blijven rennen. Heerlijk in mijn eigen cocon, in ‘the flow’.

Soms komen dromen uit.

Echter, het lopen ging vandaag ook over balans. Over het niet in het ‘rood’ gaan lopen, hoe lekker ik op dit moment ook liep. Even dacht ik nog: “schijt aan alles, ik loop gewoon nog een uurtje of wat door…”. Ik deed het niet. Ik had aardig gemikt, na 15 kilometer stond ik weer voor mijn eigen koelkast en haalde daar nog een koud colaatje uit. Ik bekeek de gegevens van mijn hardlooprondje. Het eerste wat ik voelde was de teleurstelling dat mijn tempo zo traag was. Dat zelfs het stuk ná de pauze langzamer was dan voor de pauze. Terwijl het zoveel beter aanvoelde.

Tijdens het drinken van mijn cola bedacht ik me dat het vandaag ging om balans.
Het voelde goed, dus was het goed.

Die flow, kon ik er maar eeuwig blijven.
Die flow, kon ik er maar heen gaan wanneer ik wil.
Ik was er.

Soms komen dromen uit!

Crisis impact

Gaat de (halve) Heuvellandmarathon door of niet? Dat was mijn grote vraag de afgelopen week. 15 maart stond al heel lang in mijn agenda. Mijn stemming is al weken slecht, ik ben moe door alle slapeloze nachten. Naar het weekend keek ik niet uit, ik zag er tegenop.

Niet zozeer tegen het rennen, al zou dat zwaar worden. Ik had te weinig kilometers kunnen trainen, ik was nog geblesseerd, maar ik zou gaan starten en ik zou gaan finishen. Daarna zou ik met de groep heroïsche verhalen delen over de hoeveelheid modder en regenwater onderweg, we zouden samen lachen.

Ik zag wél op tegen de reis naar Maastricht en ik zag op tegen de groep van 20 mensen, waar ik er maar een paar van kende. Ik wist ook dat het, net als vorig jaar, wel goed zou komen met die groep. Dus ik zou gaan. Tot er die donderdag het bericht kwam dat alle evenementen met meer dan 100 mensen afgelast werden.

Opgelucht was ik, dat ik niet met de groep hoefde te dealen. Teleurgesteld was ik, dat het weekend toch niet doorging. Opgelucht was ik, dat mijn blessure meer tijd krijgt om te herstellen en ik hopelijk fitter zou zijn voor de nieuwe datum. Teleurgesteld was ik, dat we als groep deze ervaring (nog) niet met elkaar konden delen. Verrast was ik, toen de groepsapp ontplofte. We deelden onze teleurstelling, maar ik heb ook ontzettend veel gelachen om alle filmpjes en gifjes die in de app groep werden gedeeld. Vooral over de boodschappen.

Die boodschappen… Ik voelde druk en ik voelde angst afgelopen weekend. Moest ik nu op vrijdag ook naar de drukke AH om mijn boodschappen te doen? Zou er wel genoeg voor mij overblijven? Zouden er opstootjes zijn? Ik voelde boodschappenschaamte, want als ik nu zou gaan zou ik dan ook meedoen aan het ‘hamstergedrag’? Ik besloot niet te gaan, zaterdag of zondag was vast ook vroeg genoeg.

Op Facebook zag ik foto’s van alle supermarkten in Amstelveen, met lege schappen. Ergens was ik ook nieuwsgierig en wilde ook wel meedoen aan die gekte op de één of ander manier. Ik wilde ‘erbij horen’ en de gekte zelf ervaren. Ik bleef thuis, ik had nog wat eten in de vriezer en koffie in mijn voorraadkast. Zaterdagmiddag kwam het bericht dat er in “mijn” supermarkt politie was om een ruzie over wc-papier te sussen… Ik stelde mijn boodschappen weer uit. Zondagochtend zou ik gaan, net na openingstijd.

Ik zou dealen met de drukte, met de geïrriteerde mensen en ik zou kijken wat er wél was. Ik was nerveus en angstig. Van mezelf had ik niet verwacht dat ik op deze situatie zo extreem reageerde. De zon scheen en ik ging op pad. Onderweg kwam ik een oudere dame met een rollator tegen. Ik groette haar en we maakten een praatje. We bekenden elkaar dat we er best tegen op zagen en liepen met elkaar naar de AH. Het delen hielp, ik voelde me minder gespannen. Tot mijn opluchting was het wel erg druk, maar niet abnormaal druk. De sfeer was gemoedelijk en de schappen waren halfvol. Ik deed mijn boodschappen (alleen de boter was op…), liep naar huis en moest achteraf om mezelf lachen, dat ik me zó druk gemaakt had.

Het advies om sociale contacten zoveel mogelijk te beperken (zeker als je klachten hebt) hakte er bij mij meer in dat ik verwachtte. In een normale week ben ik ook veel alleen, dus waarom voelde dit nu zo anders?

Vandaag had ik een afspraak om een vriendin te helpen met haar belastingaangifte. Ze appte me vrijdag dat ze met klachten thuis zat, dus langskomen was niet verstandig. Ik had er wél naar uitgekeken om haar te zien. We zouden elkaar knuffelen en eerst uitgebreid koffie drinken en bijkletsen. Daarna zouden we haar belastingaangifte doen, waarbij ik haar gemoedelijk zou toe knikken dat ze het prima deed. Dat het logisch was dat de kwartjes bij haar niet vielen, omdat de kwartjes vervangen zijn door 20 eurocent munten. Daarna zou zij een heerlijke lunch voor mij maken en zou ik moe maar voldaan naar huis rijden. Het zou het derde jaar zijn, dat we dit samen zo deden.

Dit jaar deden we het anders. Ik zette mijn eigen koffie, we belden elkaar op en installeerden ‘meekijksoftware’ op onze computers. We kletsen bij over ons wel en wee. We praatten over waarom het voor mij nú zo anders voelt om alleen te zijn. Onze conclusie was: omdat het nu opgelegd is in het belang van de gezondheid van iedereen.

We deden haar belastingaangifte en maakte daarna onze eigen lunch. Het was anders, ik miste vooral de knuffels, maar we hadden wel verbinding. Dat was toch fijn.

De afgelopen dagen zit ik veel te veel op mijn telefoon om mijn onrust kwijt te raken. Ik moet er niet aan denken dat mijn telefoon nu stuk zou gaan. Dan zou ik alle contact kwijt zijn en me nog veel meer alleen voelen. Ik app vrij veel, ik speel spelletjes, ik volg de nieuwsberichten. Whatsapp, Twitter en Facebook check ik veel vaker dan goed voor me is. Het geeft me afleiding, maar maakt me ook onrustig. Het zorgt voor angst. Deze crisis is zo groot, dat het de wereld op zijn kop zet. Het hele systeem kan dus blijkbaar zomaar instorten. Wat als het nog verder instort?

Kortom, het is crisis. Dealen met mentale crisis ben ik gewend, ik moet nu gewoon dezelfde tactiek toepassen: hou het klein, kijk niet vooruit en blijf bewegen. Dan is isolatie nog niet eens een heel slecht idee…

Gelukkig is het opgehouden met regenen en is het droog de laatste paar dagen. Ik heb mijn rondje zondag weer kunnen rennen. Ik wandel elke dag, ook al voelt het zinloos, zo doelloos een rondje wandelen. Het is met dit weer wél makkelijker om nu de deur uit te gaan.

Er blijft nog wel heel veel dag over elke dag.

Dat is niet anders dan anders. Het voelt wel anders.

Het is tijd voor een wandelrondje.

Niemandsland

Al een tijdje voel ik me mentaal beroerd, maar nu gaat het fysiek ook steeds slechter. Ik begon last te krijgen van het suizen van mijn bloed in mijn hoofd. Ik werd er zelfs een beetje bang van de eerste paar dagen. Ik vroeg me af wat het kon zijn. Kon het komen van het afkicken van mijn blauwe pilletjes? Had ik een te hoge bloeddruk of hartslag. Ik was bang, wat als ik nu ineens ’s nachts een hersenbloeding zou krijgen? Ik besloot die avond de knip op de voordeur er niet op te doen. Mocht ik hulp nodig hebben dan zouden ze er tenminste in kunnen…

Na weer een slapeloze nacht besloot ik mijn nieuwe psychiater te mailen dat ik me zorgen maakte over deze vreemde symptomen en mijn wanhoop toenam of we niet konden starten met nieuwe medicatie. Ik vroeg hem om een vervroegde  afspraak.

Een paar weken geleden hadden we kennis gemaakt. Ik dacht dat we het over mijn slaapproblemen gingen hebben, hij had doorgekregen dat ik informatie over autisme wilde. Gedurende de afgelopen jaren kwam de vraag “ben je niet autistisch?” steeds vaker terug. Eind vorig jaar ben ik op de wachtlijst gezet om me te laten testen. Ik moet, tot mijn verrassing, zeggen dat ik een hoop herkenning hoorde in wat hij me vertelde over autisme.

Belangrijker vond ik echter dat hij me hoop gaf. Door mijn problemen vanuit een andere kant (autisme kant) te benaderen is er mogelijk nog perspectief dat ik me ooit minder slecht ga voelen. Ook vertelde hij me dat ik nog een medicijn zou kunnen proberen, dat totaal anders werkt dan een anti-depressivum. Hij sprak de mij overbekend woorden: “ik heb er patiënten snel van zien opknappen”. Aan het einde van het gesprek vroeg ik dan ook of we niet meteen konden starten met het medicijn. Hij wilde liever eerst de uitslag van het autisme onderzoek afwachten en daarna weer een afspraak in plannen. Ik had daar wel begrip voor, hij kende mij inmiddels nog niet. Inmiddels is het autisme onderzoek voor 80% klaar, de afronding kan nog wel enkele weken op zich laten wachten, omdat de onderzoeker ziek is.

De psychiater mailde mij een week later terug dat mijn symptomen waarschijnlijk het gevolg zijn van een hoog adrenaline niveau als het gevolg van ‘overprikkeling’ door alle onzekerheid van de afgelopen maanden. Hij wil nog niet starten met de medicatie maar vond wel dat ik ‘goed’ door deze roerige periode heen moest komen. Hoe ik dat dan moest doen stond er niet bij. Ik voelde me verdrietig.

Op het wereldwijdeweb zocht ik op wat ik nu zélf kan doen om mijn adrenaline niveau te verlagen. Ik vond: ademhalingsoefeningen, wandelen en hardlopen. De wetenschap dat het ‘bloedsuizen’ geen kwaad kan helpt enigszins (de knip kan ’s nachts weer op de voordeur) het is blijft wel een rotgevoel. Dat ik geen nieuwe zelfhulpmethode vond om de adrenaline te verminderen is wel wat teleurstellend. Al probeer ik wel actiever te letten op mijn ademhaling.

Woensdag zat ik weer bij mijn huisarts om te bespreken op welke manier ik mijn slaappillen zo goed mogelijk kan gebruiken, zonder dat de werking daarvan verminderd. Een paar slapeloze nachten afwisselen met een paar nachten op een slaappil is een cru compromis. We concludeerden ook dat ik weer in dezelfde situatie zit als begin 2016. Ze vroeg me nu weer of ik het nog wel red of ik niet liever naar de crisisopvang wilde. Ik gaf aan dat ik daar alleen maar ongelukkiger was en de opvang voor mij geen toegevoegde waarde had. Ze respecteerde mijn wens, maar vond wel dat er iets moet gebeuren.

Momenteel bevind ik me in Niemandsland. Ik kan niet voor- of achteruit en wil het liefst verdwijnen. De psychiater wil nog geen medicatie voorschrijven, omdat de uitslag van het autisme onderzoek nog een paar weken op zich laat wachten. Maar een alternatief is er ook niet. Bovendien maakt het wel/niet hebben van autisme mij niet anders dan nu. Ik moet nog steeds dealen met mezelf en dat lukt me niet. De huisarts belde mijn psychiater. Helaas was die deze week afwezig, hopelijk lukt het hen volgende week te overleggen en met een beter plan (dan afwachten) te komen. Ik ben haar dankbaar voor haar proactieve strijdlustige houding. Ik kan het zelf niet meer opbrengen.

Zelf kan ik alleen teruggaan naar mijn ‘overlevingsmodus’. Ik probeer de dag van uur tot uur door te komen. Niet vooruit te kijken. Volledig in het ‘nu’ te zijn. Mijn wereld bewust zo klein mogelijk maken, zodat ik dat kan overzien. Star vasthouden aan mijn dagplanning om niet te verzuipen en genoeg energie te hebben voor de ‘moetjes’. Ik wandel braaf elke dag, ik loop om de dag hard, doe mijn ademhalingsoefeningen, eet gezond.

Ik bedacht me dat ik tijdens de crisisopvang 1000 stukjes puzzels legde om de tijd door te komen. Ik ging naar de Action en kocht een stapeltje puzzels, zette een muziekje op en begon. Eigenlijk vind ik puzzelen vreselijk. Die berg chaos voor mijn neus. Eerst al de randjes opzoeken en leggen. Dan een enorme berg stukjes uitleggen en speuren maar. Mijn lijf doet pijn van de onhandige houding aan tafel. De rand is al twee dagen af. De rest van de chaos zit nog verstopt in de doos.

Het voelt zwaar, eenzaam en egoïstisch dat overleven in Niemandsland. Ik blijf er nog even in de hoop dat mijn huisarts en psychiater mij in de loop van volgende week op weg kunnen helpen.

De “bijwerking” van luisteren

Inmiddels begeleid ik al anderhalf jaar een herstelgroep in de kliniek. Wekelijks komen mensen met depressie bij elkaar. De één zoekt met name een luisterend oor, een ander vraagt advies aan gelijkgestemden en weer een ander vindt erkenning en herkenning. Ik zit erbij. Kijk en luister naar hen én probeer er voor te zorgen dat ieder voldoende ‘spreektijd’ krijgt. Ook deel ik, daar waar passend, mijn ervaring.

Bij de start van deze groep heb ik voor mezelf besloten dat ik geen ‘deelnemer’ maar ‘begeleider’ ben. Ikzelf kan geen twee rollen tegelijkertijd vervullen. Ik ben wél open, maar niet kwetsbaar. Ik vind dat ik in mijn kwetsbare modus niet zou kunnen functioneren als begeleider. In het begin voelden de deelnemers zich ‘schuldig’: “maar jij mag er ook zijn”. Gelukkig verdween hun schuldgevoel al snel naar achteren toen ik hen mijn uitgangspunt mee deelde.

Hoe beter ik de deelnemers ken, hoe duidelijker ik hun patronen zie. Sommige patronen lijken op die van mij. Het is best confronterend om iemand vast te zien zitten in een gedachtenkronkel. Het is moeilijk om te zien dat iemand plannen maakt om zijn/haar leven te verbeteren, maar niet het eerste kleine stapje durft te zetten. Het is lastig om te zien dat hij/zij altijd wel een probleem bij een oplossing kan verzinnen.

Ik merk dat óók ik het moeilijk vind om niet te komen met ‘goedbedoelde adviezen’. Ik merk dat ik tóch regelmatig een oordeel heb, terwijl ik juist oordeel loos wil luisteren. Dit stemt mij milder in mijn oordeel over de mensen die mij willen bijstaan tijdens mijn depressie. Het is een volkomen natuurlijke reactie om iemand te willen helpen met een advies. Het is moeilijk om er naast te staan en te zien dat iemand opnieuw depressiever wordt of niet tot actie over durft te gaan. Samen lachen over het ongevraagde goedbedoelde advies, kan de lucht klaren.

Mooi, vind ik het, om te zien dat de deelnemers steeds meer ruimte voor henzelf durven opeisen. Dat ze veilig genoeg voelen om te delen waar ze zich voor schamen of tegen aanlopen. Ze hebben ervaren dat de groep hun leed kan dragen, dat zij er mogen zijn mét leed. Ze gebruiken de groep soms om nieuw gedrag te testen.

Een paar weken geleden, kwam ikzelf in een dilemma. Een deelnemer (A.) deelde zijn/haar verhaal en ik gaf hem/haar veel ruimte, nadat hij/zij al een aantal sessies wat minder ruimte had genomen. Het verhaal en patroon was niet nieuw. Ik voelde me machteloos dat ik A. niet concreet kon helpen en niet uit de situatie kon halen. Op driekwart van de sessie vroeg een andere deelnemer (B) het woord. B. wilde ook ruimte om te spreken.

Ik voelde me enorm schuldig. Het voelde alsof ik gefaald had. Ik gaf de één ruimte en deed daarmee de anderen tekort (actie, reactie). Er was ook een kort moment van trots. B. had toch maar mooi ruimte voor hem/haarzelf opgeëist. Iets dat B. een jaar geleden nooit gedaan had. De actie van B. zorgde voor een verdrietige reactie bij A. en daarmee weer een schuldgevoel bij B. Er dreigde een negatieve spiraal te ontstaan. En ik? Ik zat daar te ‘verdragen’. Ik kon A. en B. geen beter gevoel geven. Ik kon alleen de actie en reactie benoemen én A. en B. verzekeren dat ze er mogen zijn ook al roept hun actie een verdrietige reactie bij een ander op.

Ik heb de macht niet om de ander zich beter te laten voelen. Was dat maar zo. Ik kan de situatie waar de ander in zit ook niet veranderen. Ik kan het patroon van de ander niet bijsturen. Ik kan wél blijven luisteren. Ik kan wél mijn eigen machteloosheid verdragen. Ik kan wél het patroon van de ander analyseren en op een gepast moment de ander vragen of hij/zij zich bewust is van het patroon. Ik kan empathie tonen als ik zie dat de ander zijn/haar patroon probeert te veranderen en na een tegenslag terugvalt in het oude patroon. Ik kan naast hem/haar gaan staan om samen te kijken welke kleine mini-aanpassing een volgende keer mogelijk is. Ik kan wél samen hun successen vieren en teleurstellingen samen verdragen.

Ik fietste naar huis met een enorm zwaar en machteloos gevoel. Ik moest verdragen dat ik mijn deelnemers verdrietig naar huis heb laten gaan. Ik vroeg me af of ik het ‘allemaal’ wel goed doe met mijn groep. Met mijn depressieve hoofd vind ik dat ik niet altijd alert genoeg ben om de behoeften van de deelnemers goed in te schatten. Elke keer weer de keuze, laat ik de deelnemer praten, of is dit het moment om bij te sturen. Hoe voorkom ik dat de ene deelnemer iets zegt, wat een verdrietige reactie bij de andere deelnemer geeft? Wacht ik tot een deelnemer zelf het woord vraagt of schat ik in dat een deelnemer deze keer nodig heeft dat ik het woord aan hem/haar geef? Voelt iedereen zich genoeg gezien? De groep draait al anderhalf jaar. Volgens mij doe ik het goed genoeg.

Een “bijwerking” van luisteren, is het zelf moeten verdragen van een machteloos gevoel…

Nostalgie

Gisteravond had ik met mijn zusje afgesproken om te gaan eten in het Oude Dorp waar wij zijn opgegroeid. Van te voren was ik gespannen, ik wist niet precies waarom. Ergens was ik bang voor wat ik zou voelen als ik weer terug zou zijn op de plek waar ik tot mijn 23ste woonde. Ergens was ik bang dat ik niet de verbinding met mijn zusje kon maken die ik wilde. In een depressie is het moeilijk écht verbinding met anderen te maken. Zelf kan ik dan nog wel het idee hebben dat ik open sta voor contact, soms blijkt het tegendeel en kan die ander niet tot mij doordringen. Afgelopen week overwoog ik diverse malen de afspraak af te zeggen in de hoop een volgende keer in een betere stemming te zijn. Ik deed het niet, omdat ik me door afzeggen zeker niet beter zou voelen én omdat ik mijn zusje wilde zien.

Rond een uur of vijf stapte ik mijn auto en reed de snelweg op. Hoe dichter ik bij de afslag kwam, hoe harder mijn hart begon te bonzen. Was het van de spanning? Het voelde niet negatief. Het was een soort opgewonden gebons dat ik terug kwam op bekend terrein. Ik reed de wijk in over het bruggetje en links was daar mijn ouderlijk huis. Ik wierp er een snelle blik op, er zat een auto achter me. Rechts de kerk die er al tig jaar staat en de fietsenwinkel op de hoek zat er ook nog. Ik parkeerde mijn auto op de nieuwe parkeerplaatsen langs het water (daar waar Sinterklaas altijd aankwam). Hier stond vroeger zo’n grote lelijke gele glascontainer. Ik stapte uit en liep over de Dorpstraat naar het eettentje waar we hadden afgesproken.

Van tevoren wist ik niet of ik binnen zou durven stappen bij de slagerij waar ik 28 jaar geleden aan mijn eerste zaterdagbaantje begonnen was. Ik was bang voor de ‘hoe gaat het?’ en ‘wat doe je nu? vragen. Ik schaam me voor het antwoord dat ik moet geven, als ik eerlijk ben. Ik kwam er langs, het was vlak voor sluitingstijd, de slager en zijn vrouw waren aan het opruimen. Er was niemand in de winkel. Na een diepe ademteug, duwde ik tegen de deur, hij was nog open en ik stapte naar binnen.

We keken elkaar aan, de slager en zijn vrouw waren eigenlijk niet zo veel veranderd. Zij keken naar mij en ik begon met te zeggen “ik werkte hier vroeger”. De slager kreeg een blik van herkenning in zijn ogen, toen hij mijn stem hoorde. “Ja, ik herken je nu!”. We kletsen even over de winkel, over het wel en wee. Ik vroeg naar hun kinderen op wie ik vroeger wel eens paste. Ze bleken een jaar geleden oma en opa geworden te zijn. Ik kon er even omheen draaien, maar uiteindelijk kwam ‘de’ vraag.

Ik besloot eerlijk te zijn en te zeggen dat ik, na een carrière als accountant, nu al een tijdje niet meer werk, chronisch depressief ben en vrijwilligerswerk doe. Ze reageerde begripvol en vertelde meteen dat hun dochter een burn-out heeft. Er was verbinding. Ik kon eerlijk vertellen én ik kreeg een begripvolle reactie terug. Niet dat ik anders verwacht had, want het zijn lieve mensen. Maar ik schaam me nog altijd als ik over depressie vertel. Het voelt alsof ik een last leg bij die ander als ik vertel dat ik helemaal niet zo’n leuk leven heb. We namen afscheid en ik ontmoette mijn zusje bij het restaurant.

Het voelde goed haar weer te zien. We kletsen bij over de afgelopen weken over koetjes en kalfjes. Ze vertelde me ook haar visie op vriendschap en hoe zij om gaat met verschil in verwachting over diepgang van een vriendschap. Ze vertelde me haar conclusie, dat haar gezin haar basis is en dat de vrienden daaromheen komen en gaan.  Opeens vertelde ik haar over mijn afgelopen weken, op Texel, het gedoe van wisselen van behandelaren, het ASS-diagnose-traject wat volgende week start. Mijn twijfels daarover, mijn slaapproblemen en slechte stemming. Ik vertelde haar dat het niet leuk vind om te vertellen dat het weer slecht gaat. Weer dat schaamte gevoel en het gevoel dat ik haar teleurstel en belast met mijn negativiteit.

Tegelijkertijd vulden nare gedachten mijn hoofd: “je ratelt teveel, je zeurt, je stelt je aan, een ASS-diagnose verandert niets, je wil alleen maar aandacht trekken, je bent alleen maar negatief.”  De enige manier om deze nare gedachtenstroom te stoppen, is te controleren of wat ik denk klopt.

Ik verzamelde moed om haar te vragen of ze het raar vind dat ik een nieuw diagnose traject start. Ik vroeg haar of ze het vervelend vind dat ik wéér vertelde dat het slecht ging, ook al zie ik er goed uit (volgens de slager en zijn vrouw…). Ze reageerde heel begrip vol. Ze zei dat ze me begreep, dat ze in mijn situatie ook alle opties zou aanpakken. Ze zei dat het inderdaad niet leuk is om te horen dat het weer slecht gaat, maar ook dat het is zo als het is. Er kwam een nieuwe gedachte op in mijn hoofd: “ze zegt het nu wel maar ze bedoelt dat niet zo”. Ik leg deze gedachte het zwijgen op door actief te denken “mijn zusje zou niet tegen mij liegen, dus ik mag geloven wat ze zegt”.

Ik voelde verbinding met mijn zusje. Dat was waardevol. Na het eten loop ik, zwijmelend van nostalgie, over de Dorpstraat terug naar mijn auto. De Chinees aan de overkant van het water zit er nog! Daar won ik, toen ik negen was, ooit 5 rijksdaalders uit de gokkast tijdens de braderie. Hé, de elektronica zaak aan de linkerkant op de hoek, die is er ook nog. Eigenlijk is het een vertrouwd kneuterig gevoel bedenk ik me. Zo in het donker, met de kerstverlichting nog aan. Ik stap in mijn auto en rij terug langs mijn ouderlijk huis. Deze keer rijdt er geen auto achter me. Ik rij heel langzaam (stoppen en uitstappen durf ik niet) kijk even naar binnen. In een glimp zie ik dat ze vast verbouwd hebben van binnen. Ik zie de aangebouwde garage buiten. Maar ik zie ook de vertrouwde boom en het grint in de voortuin. Dat is nog zo als het was.

Misschien ga ik binnenkort nog wel een keertje terug, als het licht is. Om mijn vertrouwde hardlooprondje rennen,  over de dijk, langs de sluizen en terug over het industrieterrein (wat nu een woonwijk is). Nog even mijmeren.

Ik rij de brug over naar de snelweg. Ik probeer te bedenken wat ik nu eigenlijk voel.
Volgens mij was dit het gevoel van thuiskomen.

Kleine blauwe pilletjes

Kleine blauwe pilletjes slik ik. Een uurtje voor ik naar bed ga, sinds ik afgelopen dinsdag bij mijn huisarts was. Ik was voor een ‘zakelijk’ gesprek bij haar, over het “Depressie in de Wijk-project: #ikhebjenodig”. We bespraken de voortgang van het project en mijn rol in het team.

Ze vroeg ook hoe het de afgelopen twee weken op Texel was. Ik moest huilen en zei eerlijk dat het even vreselijk was als thuis. Het gevoel van schaamte en teleurstelling is groot. Ik had zo mijn best gedaan om zonder verwachtingen naar Texel te gaan. Blijkbaar had ik tóch onbewust de hoop dat het op Texel makkelijker zou gaan. Dat het makkelijker zou zijn om mijn dagen door te komen. Dat ik mezelf er makkelijker toe kon zetten om een rondje te wandelen of te rennen. Dat ik zelfs misschien weer wat zou slapen. Het eerste weekend had ik gezelschap van een vriendinnetje. Zij hielp mij met opstarten, met de omgeving wat te verkennen, samen te eten, een rondje rennen en vooral heel veel bij te kletsen.

Teleurgesteld was ik toch, dat het allemaal even moeilijk bleek als thuis. Ik probeerde er wél wat van te maken: Op tijd opstaan, ook na de zoveelste bijna slapeloze nacht. Naar buiten, ook als het regende. Ik registreerde mijn wandel- en renrondjes op Strava, mét foto’s die per ongeluk prachtige bleken te zijn. Ik schreef dagelijks een uurtje aan het eindrapport voor mijn subsidieproject. Langer kon ik me niet concentreren. Maar ach, ik had geen haast en uiteindelijk komt het rapport vast af. Ik dronk ‘s middags warme chocolademelk en stak het haardvuurtje aan in mijn huisje. Het was een fijn warm huisje, maar toch kreeg ik het niet warm. Er zaten veel te veel uren in de dag. En in de nacht.

Ik kreeg het bericht dat mijn buurvrouw kanker heeft en dat ze niet meer beter wordt. Ik werd misselijk toen ik het bericht las. Ik kon niet even naar haar toe om haar een knuffel te brengen. Ze schreef me: “blijf maar daar, je kunt toch niets doen, die knuffel komt later wel”. Zij gaat dood, ik niet en ik wil wel dood. Ik kreeg het bericht dat de vader van een vriendin overleden was. Hij was al op leeftijd en is dood. Ik niet en ik wil wel dood. Wrang. Wreed.

Ik hield het vol en bleef, want de depressie zou, zonder mij, niet achterblijven op Texel. Aan het eind van mijn verblijf, reed ik terug naar huis, zonder verwachting dat het beter zou gaan als ik weer thuis zou zijn. Thuisgekomen was daar weer die teleurstelling, blijkbaar had ik toch wéér onbewust hoop gehad. Ik voelde me niet beter. Ik bracht mijn buurvrouw haar knuffel. Het voelde Wrang. Wreed.

Ik sprak af met een vriendinnetje om afgelopen zondag 16 km te gaan rennen. Ter voorbereiding op de Halve van Egmond die we half januari samen gaan rennen. Het rennen en kletsen ging best, het weer was prima. Na een kilometer of 10 merkte ik dat er zich een blaar op mijn hak gevormd had. Samen met mijn grote teen (die al een tijdje een pijnlijke blauwe teennagel heeft) plaagden ze mij behoorlijk. Het deed pijn, maar het was te doen. Opeens was daar de zijkant van mijn voet die pijn deed van mijn enkelbrace. Normaal voel ik die pijn de eerste twee kilometers, nu pas rond kilometer 12. De pijn werd erger en erger. Ik negeerde het, want het zou vast over gaan net als altijd. Het ging niet over. De laatste kilometers waren hel. Thuis trok ik mijn schoen, brace en sok uit. Die monsterblaar zat er inderdaad. Erger was dat de zijkant van mijn voet zo enorm veel pijn deed, dat ik de rest van de middag er niet meer op kon staan. Ik vreesde het ergste: geen Halve van Egmond.

Gelukkig herstel ik blijkbaar vrij snel, de volgende dag kon ik er alweer op staan. Mijn planning was Tweede Kerstdag een rondje rennen, mits ik de dag daarvoor pijnvrij kon wandelen. Op Eerste Kerstdag maakte ik een wandeling. De pijn van de kneuzing was bijna over, helaas was de pijn aan mijn teen enorm. Thuisgekomen bleek er zich een blaar onder mijn nagel gevormd te hebben. Zucht.

Ik begon me zorgen te maken. Niet alleen over of ik de Halve van Egmond wel zou kunnen lopen, maar ook over mijn oog. Mijn ooglid deed pijn en ik was op kerstochtend wakker geworden met een dichtgeplakt dik oog. Niet goed, nog nooit gehad. Kortom, ik maakte voor de tweede keer deze week een afspraak met een huisarts. “Dat ooglid is ontstoken, niet ernstig, gaat vanzelf over. Kan wel een paar weken duren”, zei ze. “Lekker dan”, dacht ik: het kijkt namelijk niet zo fijn met een half gesloten oog.
Het oogt ook niet echt fraai…

Ik vroeg de huisarts ook naar mijn teennagel te kijken en vroeg of ze het blauwe stuk er niet af kon halen, zodat het daaronder eindelijk kon genezen. Nope, dat kon niet. Nagel was te kort. Eerst laten groeien. Zoveel mogelijk op blote voet, niet hardlopen en afwachten of er ‘gezonde’ nagel komt. Conclusie: geen Halve van Egmond, wéér wandel- en hardlooppauze, daarna wéér opnieuw opstarten met trainen. Zucht.

Ik begin de moed te verliezen, na weer een tegenslag. Ik heb de reserve gewoonweg niet meer om met deze kleine tegenslagen om te gaan. Mijn huisarts stelde tijdens ons gesprek van dinsdag (dat geen consult was, maar het toch ook werd) voor om nieuwe pillen uit te proberen. Zij had goede hoop. Ik niet. Mijn wanhoop neemt toe. Die wanhoop is de reden dat ik toch weer een pilletje wil uitproberen.

Vanavond neem ik dus weer mijn kleine blauwe pilletje, een uurtje voor het slapen gaan. Het zou me moeten helpen met slapen. De apotheker vertelde me: “Het duurt een week of zes voor je het gaat merken. Je mag een week niet autorijden en je wordt er moe van…”
Ik ken die riedel.  Ik heb hem al een keer of zes gehoord.

Toch tuin ik er iedere keer weer in: die hoop.
De hoop op beter slapen. In de hoop me beter te voelen.
In de hoop dat het leven mét slaap iets makkelijk wordt.

Beste Sinterklaas,

Eind 2018 was het, toen ik voor het eerst van de Socialrun hoorde,
ik las vooral, hoe de Socialrun eigen kracht aanboorde.
Ik wist niet goed waar te beginnen,
duidelijk was al snel dat #meedoeniswinnen.

In maart renden we met team #geefonskleur door het Heuvelland,
er was daar regen, zon, wind, heel veel modder en zand.
Het OndersteuningsTeam stond voor ons klaar onderweg,
wat zorgden zij voor goed entertainment zeg!

Zou het zo simpel kunnen zijn?
niet presteren, alleen meedoen, zo fijn.
Ik concentreerde me eerst alleen op het rennen,
dat ik #meedoeniswinnen breder (in het leven) kon zien, was wennen.

Ik begon met het dragen van het rode bandje,
als ik even niet meer wist, hielp het mij een handje.
Niet alleen nodigde het me uit tot vertellen,
het hielp mij ook mijn besluiten te versnellen.

Zo vroeg ik een subsidie aan, de kans op afwijzing was zeer groot,
het bandje hielp mij want: “#meedoeniswinnen” stond er op het rood.
Ik diende mijn projectaanvraag in,
tot mijn grote verassing werd het een win!

Ik begon ook met het team Fit4Fun samen te stellen,
zodat we met zijn allen de 555km door Nederland konden snellen.
Het hoefde niet snel, langzaam aan was ook goed,
’t gaat er om dat je het samen doet!

Elke rol binnen het team is even waardevol,
De een kan niet zonder de ander, dat is de lol.
Het gaat er niet om dat je wint,
Het gaat er wél om dat je begint.

Dat je stappen durft te zetten,
Dat er anderen zijn die op je letten.
Dat je een knuffel krijgt of geeft,
Dat je ziet wat er bij die ander leeft.

Dus Sinterklaas ik wil graag weer zo’n mooi cadeau dit jaar,
Met “#meedoeniswinnen” , is mijn verlanglijst klaar!

Weg

Ik weet het al een tijdje. Ik moet weg bij de ggz-instelling waar ik onder behandeling ben. Ik ben er al veel te lang (drie jaar ipv twee jaar) toch blijf ik behoefte houden aan ondersteuning. Niet zo zeer ‘behandeling’, maar ondersteuning ten tijde van diepe depressie en begeleiding in betere tijden. Begeleiding over hoe ik met mijn emoties en de uitdagingen van ‘het leven’ kan omgaan. Het is nu een ‘goed’ moment om op zoek te gaan naar een vrijgevestigde behandelaar, aangezien mijn huidige behandelaar van afdeling wisselt. Deze keer kan ik echt niet meeverhuizen, ik pas emotioneel dan wellicht wel in haar doelgroep (jong volwassenen), maar qua biologische leeftijd ben ik te oud…

Het is ook een ‘slecht’ moment om te moeten wisselen van behandelaar, zo midden in een depressie. Wisselen betekent namelijk ook keuzes maken en actie ondernemen van mijn kant. Niet mijn sterkste punten, zeker niet nu. Gezamenlijk schreven mijn behandelaar en ik een brief naar mijn huisarts, met het verzoek mij te ondersteunen in de zoektocht naar een nieuwe behandelaar. Ik heb wat wensen, die eigenlijk eisen zijn…

Zo moet hij/zij bekend zijn met schematherapie, bereid zijn te willen ondersteunen in plaats van te willen behandelen (met als doel ‘beter’ worden) én wellicht het belangrijkste ik moet niet binnen een jaar klaar hoeven zijn. Ik wil er kunnen blijven, zolang ik daar behoefte aan heb. Geen eenvoudige opgaaf, die zoektocht. Via mijn huisarts kwam ik bij de POH terecht (de Praktijk Ondersteuner van de Huisarts), zij is zelf psychologe en heeft een uitgebreid netwerk. Dat is waar het mij om gaat, dat mijn verwijzer de werkwijze van mijn nieuwe behandelaar kent. Ik wil niet zomaar een naam van het wereldwijdeweb plukken. Ik wil iemand die past bij mijn hulpvraag (dat ik dit woord ooit nog eens zou gebruiken…). Nadat de POH mijn dossier gelezen had, kwam zij in een gesprek met twee namen van behandelaren die wel bij mijn hulpvraag zouden kunnen passen. De keerzijde was dat ik voor beide behandelaren 40 autominuten zou moeten reizen. Een groot nadeel. Maar een overkomelijk nadeel, als de ‘klik’ er zou zijn.

Thuisgekomen bestudeerde ik van beiden hun website, beiden leken aan te bieden wat ik zocht. Ik las vol vertrouwen verder tot ik bij de wachttijden aankwam. Maar liefst 6 maanden wachten! Dat zou betekenen dat er een groot gat zou ontstaan tussen het einde van het contact met mijn huidige behandelaar (eind november) en de start van het nieuwe. Ik besloot beide behandelaren te mailen om te vragen of het mogelijk was een kennismakingsgesprek te hebben op relatief korte termijn. Zo konden we samen kijken of er iets van een klik was, waarna ik kon besluiten op de wachtlijst plaats te nemen. Eén behandelaar mailde terug dat ze een patiëntenstop had. De andere behandelaar mailde terug dat ik begin december een kennismakingsgesprek kan hebben.

Afgelopen weken sprak ik met mijn behandelaar over hoe we dan die wachttijd gingen overbruggen? Ze gaf aan dat ze met niet liet vallen en dat er een oplossing zou komen. We planden in januari nog een afsluitgesprek en dan zouden we een plan maken voor de komende maanden. Eén van de opties was overbrugging bij haar opvolger. Dat zie ik niet zo zitten, want dan moet ik dus twee keer een nieuw wentraject met een voor mij onbekende behandelaar aangaan. Ik zelf heb sterk de voorkeur om ter overbrugging een bekende therapeut uit eerdere behandeltrajecten te zien (mijn drama- of PMT therapeut). Ik durfde deze optie bijna niet voor te stellen. Ik vroeg het haar, terwijl ik de woorden ‘dat zal wel niet mogelijk zijn’ in slikte. Mijn behandelaar gaf aan dat dit misschien wél mogelijk was. Wellicht kon ze me toch zelf nog zien als haar agenda in januari nog niet vol was. Ze gaf me hoop.

Op enig moment brak ik. Ik vond en vind het zo oneerlijk (een beter woord heb ik even niet). Er wordt nu van mijn gevraagd, vertrouwen en geduld te hebben dat het goed komt. Ik (over)leef nu met een enorme onzekerheid over wat er na half januari gaat gebeuren. Aan de ene kant is het fijn dat er misschien overbrugging kan van een bekende therapeut (drama/PMT) of mijn eigen behandelaar, aan de andere kant is ‘de misschien’ niet prettig. Ik probeerde dat aan te geven, maar durf dan niet hard genoeg te roepen. Ik wilde vragen: Kun jij niet voor mij nagaan of de drama/PMT therapeut überhaupt ‘mag’? Maar ik durfde het niet. Uit angst voor het antwoord. Dat het niet mogelijk was. Of dat ze dat op dit moment niet kon zeggen.

Narrig en boos werd ik, net als een puber. Wellicht ben ik toch geschikt voor de jong volwassenen poli… Ik was boos op hoe ‘het’ nu eenmaal werkt in GGZ-land. Ik was boos op de POH dat zij mij een naam doorgegeven had van iemand die geen optie was. Ik had verwacht dat de POH dit van te voren gecheckt had. Toen ik deze verwachting deelde met mijn behandelaar, zei zij dat dat niet gebruikelijk is en dat het inderdaad logisch is dat ik als cliënt daar zelf achteraan ga. Ik gaf terug dat dit nu juist is wat ik normaal gezien al lastig vind, maar in een depressie echt heel moeilijk vind. Eigenlijk had (en heb) ik gewoon de oerbehoefte om verzorgd te worden. Ik voel me alleen staan, terwijl ik steeds te horen krijg: ‘je staat niet alleen, dit doen we samen’. Een boodschap die voor mijn gevoel tegenstrijdig is, niet klopt. Ik voel me namelijk wél alleen staan. Ik moet zélf dealen met de, voor mij, onverdraaglijke onzekerheid.

Natuurlijk weet ik dat deze kwestie ‘oud zeer’ raakt. Natuurlijk weet ik dat dit verdriet en deze boosheid niet passend is bij de situatie van nu. Maar het voelt wél zo. Ik ga op zoek naar controle, over het proces. Ik wil de gaten opvullen. Zekerheden zoeken, zodat ik dat gevoel van bengelen aan een dun draadje in een grote leegte niet voel. Ik verwacht dan van de ander dat die mij helpt mijn onzekerheden met zekerheden te vullen.

Wat me op zo’n moment extra verdrietig maakt, is dat ook de boodschap ‘dit is nu eenmaal het leven, het hoort erbij’ en ‘het verdriet/de boosheid mag er zijn’ er vaak achteraan komt. Voor mij werkt dat niet geruststellend of troostend. Mijn interpretatie van deze van deze boodschappen (ten tijde van depressie) is altijd: ‘stel je niet aan!’ Mijn hoofd trekt de onterechte conclusie dat ‘het er mogen zijn van de emotie’ betekent dat je de pijn niet voelt. Daar ontstaat de kortsluiting: Ik voel de pijn wél, dat vind ik verwarrend. Het voelt alsof die pijn nooit meer weg zal gaan. Ik wéét dat dat niet zo is, maar ik geloof het niet en ik vertrouw er al helemaal niet op.

Aan het einde van de sessie droogde ik mijn tranen en stapte in de auto. Ik reed naar huis, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Ik dacht twee dingen: ‘deze tranen moeten wél opgedroogd zijn voor ik thuis ben, want stel dat de buurvrouw toevallig buiten is dan ‘moet’ ik van alles uitleggen’. En ik dacht: ‘over een klein uur heb ik een telefonische afspraak met de POH, wel handig als ik dan uit het drama ben’. Ik had de opdracht van mijn behandelaar gekregen om aan mijn POH te melden dat mijn verwachting was dat de POH de beschikbaarheid van de nieuwe behandelaren gecheckt zou hebben, voordat ze deze aan mij voorlegde. Mijn POH reageerde dat ze inderdaad niet wist dat er een patiëntenstop was bij die ene en dat de POH hier ook normaal gezien niet van op de hoogte is. Uiteraard vond ze het wél vervelend voor mij. We hadden overigens verder een prettig gesprek, waarin ze aangaf dat ik een complexe hulpvraag had en ze echt wilde dat ik bij de juiste behandelaar terecht kwam. Ze zei ook dat ik mocht zeggen als ik totaal geen ‘klik’ zou hebben met mijn mogelijke nieuwe behandelaar bij het kennismakingsgesprek, dan zou ze verder in haar netwerk gaan zoeken.

Ik blijf me nu echter afvragen welke toegevoegde waarde het melden van mijn verwachtingsprobleem aan de POH nu oplevert. Normaal gezien houd ik altijd mijn mond in dit soort situaties en ik vermoed dat ik dat in toekomstige gelijksoortige situaties weer ga doen. Mijn frustratie wordt hier namelijk niet minder van. Ik wist al dat de POH met alle goede bedoelingen mij wilde helpen (ze had zich echt uitstekend voorbereid op dat eerste gesprek). Ík had me niet mentaal voorbereid dat ‘vol’ een optie was. Ik had me enigszins voorbereid op een wachttijd (geen zes maanden, maar enige maanden).

Kortom ik heb weer een toevoeging op mijn ‘niet-vergeten-dat-dit-ook-kan-gebeuren-lijstje’…

Vrijwillig of gedwongen?

Vandaag interviewde ik een behandelaar voor mijn subsidieproject. Dit project gaat over hoe de poli Depressie het nazorg/herstel-traject voor cliënten kan verbeteren. Hierbij liet ik haar de resultaten van een brainstormsessie (of te wel een ‘focusgroep’) met cliënten zien. Ik opende mijn presentatie en het oog van de behandelaar viel direct op mijn functietitel: ‘vrijwillig ervaringsdeskundige’; rechtsonder op de sheet.
Lachend zei ze: “moet dat eigenlijk niet ‘gedwongen’ ervaringsdeskundige zijn?”

Er zijn o.a. op het wereldwijdeweb best wat discussies gaande over wanneer je jezelf ‘ervaringsdeskundige’ zou mogen noemen. Een omschrijving is: “De essentie van ervaringsdeskundigheid is het ‘vermogen om op grond van eigen herstelervaring ook aan anderen ruimte te bieden, mogelijkheden aan te dragen en perspectief te geven voor herstel’. (uit: Handreiking voor de inzet van ervaringsdeskundigheid vanuit de GGZ, 2012). Om jezelf een ervaringsdeskundige te noemen, is dus méér nodig dan het ‘hebben’ van ervaring. Open reflecteren op je eigen en andermans handelen is bijvoorbeeld een vaardigheid die nodig is voor een professionele ervaringsdeskundige.”

Het gaat mij er niet om of ik mijzelf nu wel of niet een ervaringsdeskundige zou mogen noemen. Ik hanteer de term ‘ervaringsdeskundige’ omdat dat een gangbare term is binnen de wereld waarin ik vrijwilligerswerk doe. Ik ervaar zelfs enige druk om de term ‘deskundig’ te gebruiken, omdat dit hoge verwachtingen kan opwekken. Want misschien ben ik wel minder ‘deskundig’ dan dat men op grond van mijn functietitel zou verwachten?

Ik vind het prettig om ‘vrijwillig’ expliciet te benoemen, omdat dat mij ruimte geeft om op mijn manier en tempo aan mijn project te werken. Het werkt voor mij drempelverlagend zou je kunnen zeggen. Voor mij is het een soort verwachtingsmanagement naar die ander toe, in de trant van: “ik doe wat ik kan, wanneer ik het kan, maar verwacht vooral niet teveel van mij…” Aan de andere kant zit ook de opmerking: “vrijwillig is niet vrijblijvend” in mijn achterhoofd en daarmee weet ik mijzelf meer dan genoeg druk op te leggen.

De opmerking die de behandelaar maakte over ‘gedwongen’, zette mij aan het denken. Ik heb er namelijk niet vrijwillig voor gekozen om ervaring te hebben met depressie. In die zin ben ik dus een ‘gedwongen’ ervaringsdeskundige, die zich vrijwillig inzet. Een interessant perspectief en een nog langere functietitel… Weglaten dus maar dat ‘vrijwillig’. Misschien ook maar gewoon weglaten dat ‘ervaringsdeskundige’.

Mijn naam is genoeg, ik ben tenslotte wie ik ben en ik doe wat ik doe.

UP

Gisteravond mocht ik op uitnodiging van de Socialrun naar de première van de theatervoorstelling UP. Ik voelde me vereerd dat ik hiervoor uitgenodigd was. De boeken PAAZ en UP, van Myrthe van der Meer, had ik al eerder gelezen. Ze gaan beiden over hoe Emma haar opnames in een psychiatrisch ziekenhuis heeft ervaren. De voorstelling begon en ik hoorde de mij bekende woorden vertellen door Yora Rienstra. Ik ging er nog eens goed voor zitten en lachte om de galenhumor van Emma.

Plotseling werd ik overvallen door emotie. Totaal onverwacht. In mijn hoofd vormde zich direct twee gedachtenstromen:
“Het is oke, want ik voel dus blijkbaar weer iets, dat is een soort van positief!” en
“Het is totaal niet logisch dat ik zo emotioneel word, want ik ken het verhaal en ik heb toch geen last van mijn opnames in 2016?”.

Het wegslikken van de tranen, tijdens de voorstelling, lukte mij nog net, al kwam er een moment dat ik serieus overwoog de voorstelling te verlaten. Ik keek naar links en rechts, zocht de uitgang en schatte mijn kansen in. Zo midden in de rij was ik kansloos. Vluchten was géén optie.

In een poging om enige controle over mijzelf te krijgen, analyseerde mijn brein verder en kwam tot de conclusie: Het is de kracht van de stem van Yora. De intonatie, het volume, de intensiteit waarmee zij de woorden uitsprak deed de emotie bij mij binnenkomen.

Herkenbare flarden van mijn opname kwamen voorbij:

Elke keer weer die vraag: “hoe voel je je?”. Elke keer moest ik weer een inschatting maken: ‘wat wil de verpleegster, psychiater, familie, vrienden, horen? Willen ze de korte versie of de lange versie?’ Ik wist niet hoe ik in woorden moest formuleren wat ik precies voelde. Ik bleef steeds hangen in vaagheden als: vermoeidheid, niet geslapen, pijn in mijn lijf, rot, ik-wil-dood. Mijn vaagheden zorgden voor onbegrip bij die ander. Emma beschreef het treffend: “Het is alsof je een blinde moet uitleggen hoe blauwe lucht eruit ziet” (‘terwijl je zelf slecht ziende bent’, voeg ik er dan aan toe).

De ‘hoe-voel-je-je-vraag’ deed me ook pijn. Steeds werd ik wéér geconfronteerd met mijn eigen rotte zelf, met het rotte gevoel, dat niet verdween, wat ik ook probeerde. Ik vond dat ik mijn omgeving te kort deed en zelfs teleurstelde. Iedereen deed zo  hun best om mij te helpen en al hun pogingen hielpen niet. Ik voelde hun pijn, ik kon hun pijn er niet bij hebben, ik kon hun pijn ook niet wegnemen.

De mede-patiënten die effect op mij hadden. De mede-patiënt die suïcide pleegde, met wie ik de week daarvoor nog cup-cakes had gebakken. Op wie ik soort van jaloers was dat zij de rust had, waarnaar ik ook verlangde. De andere mede-patiënt die uit het niets boos op mij werd, verbaal agressief werd, zodat ik liever niet meer aan de lunchtafel plaats nam en de huiskamer meed. De mede-patiënt die ik probeerde te troosten terwijl ze huilend haar vierkantjes over de afdeling liep. De mede-patiënt die mijn 1000-stukjes legpuzzel afmaakte.

De verpleging waarbij ik altijd langs mocht komen voor een ‘gesprekje’, als het niet meer ging. Maar hoe wist ik nu wanneer ik dan langs mocht komen? Wat is ‘niet-meer-gaan’? Is dat een huilbui hebben, is dat na x -uren wakker te hebben gelegen, mag het ook als ik me ‘gewoon’ rot voel? De verpleging die vaak een crisis moesten oplossen als ik dan eindelijk besloten had dat ik voldeed aan het criterium ‘het gaat niet meer’, en ik vervolgens weer afdroop naar mijn kamer zonder gesprekje.

De vrijheden die ik wel of niet kreeg: ‘je mag nog niet alleen naar buiten, want de psychiater moet je nog beoordelen’. Wat betekende dat ik afhankelijk was van de prioriteiten van de verpleging, voor wat frisse lucht en wat beweging.

Het pillen uur: “de regels zijn veranderd, de avondmedicatie moet nu vóór 21:30 uur genomen worden”. “Ook mijn slaappil?”, “ja, ook jouw slaappil”. Ik had überhaupt mazzel als mijn slaappil iets deed, maar als die dan wel zorgde dat ik op weg naar het niets vertrok, kwam de verpleging tussen elf en twaalf uur langs voor de nachtcontrole. Natuurlijk werd ik wakker van het gerommel van de deuren op de gang. Of ik lag volledig alert te wachten tot de nachtcontrole was geweest, voordat ik iets van rust kon vinden, tijdens het wakker liggen gedurende de nacht.

Die eeuwige vragenlijsten: Altijd vroeg mijn brein zich af, hoe moet ik deze vragen nu weer interpreteren? Hoe moet ik nu in godsnaam in een getal uitdrukken wat ik voel? Hoe weet ik wat ‘normaal’ is? Ik vul die lijsten vast verkeerd in. Als ik die lijsten niet goed invul, leidt dat tot de verkeerde conclusies. Als ik voor vandaag een 4 voor stemming invul, komt dat dan wel overeen met de 4 van gister? Hoe voelde ik mij gister überhaupt?

Het eindgesprek met de psychiater, waarbij ik aangaf dat verdere opname voor mij geen toegevoegde waarde had. Ik wilde naar huis. Depressief zijn kan ik ook heel goed thuis.

Tijdens het applaus lieten mijn tranen zich niet meer wegslikken, hoe hard ik dat ook probeerde, die huilbui kwam er nú aan. Ik voelde een hand op mijn schouder. Ik wilde nog niet terug naar de lobby, daar was het veel te licht en waren er veel te veel mensen. Ik vond een donker plekje tussen de coulissen en voelde een andere arm om mijn schouder. Ik kreeg de ruimte om de tranen te laten gaan, die zich niet meer tegen lieten houden. Ik voelde me zwak dat ik niet kon wachten met huilen tot ik alleen thuis zou zijn.

Na een paar minuten stopten de tranen en liepen we naar het licht in de lobby.